Tagarchief: studiereis

Drie keer afstand

Op Camberwell Green besefte ik zeventien jaar geleden dat maar weinig mensen die in Londen wonen, er ook echt vandaan komen, en dat dat een belangrijke reden was waarom ik me er zo op mijn gemak voelde. Veel inwoners van Londen zijn ernaartoe verhuisd, vaak uit een ander land. En van degenen die er geboren zijn, heeft een groot deel ouders of grootouders die ernaartoe verhuisd zijn. Je kunt de statistieken erop naslaan, maar voor mij telde het straatbeeld: daar op Camberwell Green, bij de bushalte van lijn 36, zag ik dat niemand daar thuishoorde, en dat dus iedereen er thuishoorde, ook ik.

Eigenlijk kom ik nergens vandaan, niet helemaal in elk geval. Curaçao niet, Limburg niet, en Groningen: ik ben er wel geboren, maar is dat hetzelfde als er vandaan komen? (Pas nu ik dit opschrijf, realiseer ik me hoe anders dat voor mijn ouders is. Mijn moeders familie gaat generaties terug op Curaçao, die van mijn vader generaties in Limburg. Eeuwen, in beide gevallen. Zij komen wel ergens vandaan, al wonen ze er niet meer.)

Ik vond het prettig, de afstand tussen mij en plaatsen van herkomst, zowel mijn eigen plaatsen van herkomst, als die van de anderen. En ik voelde me thuis in dit level playing field, waar eigenlijk niemand een sterkere claim had op de omgeving dan een ander. Bovenal voelde ik me bevrijd, ik was op een plek waar niemand mij kende, waar ik een toekomst bij elkaar kon fantaseren zoals ik hem wilde, en indien nodig nog een verleden ook.

Zes weken geleden was ik er weer, en maakte de foto hierboven. Inmiddels heb ik mijn thuis gebouwd, maar de afstand werkte nog steeds bevrijdend. Zowel op mijn eerdere trip naar Sanje, als op deze naar Engeland, bezocht ik plekken waar ik vroeger gewoond heb. Dat had vooral praktische redenen, ik onderzocht locaties voor mijn nieuwe roman, Ochtend op Denmark Hill. Wat ik vooraf niet had bedacht, maar wat misschien wel meer heeft opgeleverd, is dat ik door deze trips loskwam van mijn eigen verhaal. De beelden die je hebt verzameld in een leven, van plaatsen, gebeurtenissen, personen, vind ik meestal handig bij het schrijven, maar ze kunnen ook in de weg staan. Soms willen ze je dwingen om je aan de feiten te houden, alsof ze je meezuigen in de vorm waarin ze zich ooit gemanifesteerd hebben. Nu was het alsof ik oude dozen opruimde. Weg met de schoolschriftjes, de brieven en kaartjes, de verzamelde zooi van een leven – alle ruimte voor de verbeelding.

Over een paar weken stuur ik het manuscript van Ochtend op Denmark Hill aan mijn redacteur. Dat wordt de eerste keer dat zij de hele tekst ziet, en ook de eerste keer dat ik hem helemaal zie, want ik moet nog een paar hoofdstukken afmaken. Daarna is nog alle tijd voor aanpassingen (ik weet er al een aantal…) maar ik moet nu wel haast maken om die eerste versie volledig te hebben.

En daarin kun je doorschieten – ik ben vast niet de enige. Opgeslokt door de tekst, en nu vooral door het handelingsverloop – wat wil ik nog vertellen – kun je ook die tekst zelf vergeten. Want uiteindelijk is dat natuurlijk wat je maakt: een tekst. Een verzameling woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken. En toen ik laatst teruglas wat ik had geschreven terwijl ik zo werd meegesleept, zag ik wat ik vergeten was. Een zekere afstand tussen jezelf en de tekst is nodig, niet altijd, je moet je ook kunnen laten verassen, kunnen ontdekken, maar je moet met professionele distantie blijven kijken, en af en toe genadeloos op de deleteknop drukken. Om daarna de scène te schrijven zoals die wel moet zijn, in één roesvolle, trefzekere dag.

 

 

Bentley Street

Londen is precies zoals ik me herinner: lawaaiig, stinkend en nat. Rondom Victoria Station hangt de geur die bij het gebied hoort zolang als ik het ken, een vettig mengsel van te lang gebakken uien, uitlaatgassen en iets van roet, maar dat kan het niet zijn want de treinen rijden al lang niet meer op stoom. Toch is het een mix van smeer en stof die je alleen bij het station ruikt.

Hetzelfde zijn ook nu de stijve benen van de lange zit in de trein, en dan is die trein nog twee keer zo snel als de bus die ik vroeger nam. En ik krijg weer buikpijn van het belabberde eten, maar gelukkig helpt een pint daar nog net zo goed tegen als ik me herinner.

Vandaag heb ik in de regen door Belgravia gesjouwd, een dure wijk vlak naast Victoria Station. Zoekend naar een pizzeria, locatie van een scène die ik al geschreven heb, en ondertussen peilend wat een geschikt appartement voor een van mijn personages zou zijn. De buurt is meer in-your-face rijk dan ik me herinner; op Eaton Square tel ik aan één kant van de straat al vier geparkeerde Bentleys. De eenzame BMW ertussen lijkt wat verloren. Misschien is dit ook gewoon veranderd, maar ik denk het niet, Londen, zeker hier in het centrum, is nauwelijks anders dan in mijn gedachten. Bilbao was dat wel, maar wereldsteden hebben een eigen tijdloosheid, ze zijn vanaf de eerste ontmoeting al te onpersoonlijk.

Nu weet ik niet meer zeker of dat personage voor wie ik een huis zoek, wel hier moet wonen. De Bentleys, en zelfs de straatnaam zal ik waarschijnlijk niet noemen, dus je kunt je afvragen of het voor de lezer veel uitmaakt. Maar toch wil ik dat de look-and-feel klopt, al is het maar voor mezelf. En een pizzeria heb ik nergens gezien.

Ik ben benieuwd hoe het morgen zal zijn, dan ga ik naar Camberwell en naar Denmark Hill, de wijk uit de titel van mijn nieuwe roman. Dat voelt voor mij meer als mijn deel van de stad, persoonlijker – denk ik nu, maar misschien is dat helemaal niet meer zo.

Onrust

Er is van alles aan het schuiven. Afgelopen week heb ik mijn studiereis naar Engeland omgeboekt. Vanwege een aangelegenheid in mijn familie ga ik een maand later. Dat omboeken zelf stelde niet veel voor, het bestond vooral uit lang luisteren naar vreselijke wachtmuziek – laat ze daar een keuzemenu voor bedenken – en speuren op websites naar alternatieve slaapplaatsen. Het was de meest concrete, en meest beheersbare verschuiving.

Mijn trip naar Baskenland heeft me veel opgeleverd, meer zelfs dan waarvoor ik was gegaan. Uiteraard weer praktische zaken: ik weet van sommige locaties nu precies waar ze zijn, hoe ze eruit zien; ik heb een veel betere voorstelling bij Baskische beeldende kunst uit de tweede helft van de twintigste eeuw; op mijn werkkamer ligt een stapel documentatie waar ik naar hartelust mijn nieuwsgierigheid op kan botvieren.

Maar ik kwam ook terug met een schuivende roman. Ik dacht voor vertrek een aardig beeld te hebben van hoe een voltooide Ochtend op Denmark Hill zou zijn; bij terugkeer wist ik het niet meer zo zeker. De verhaallijn wel, die zal niet veel veranderen, maar de vorm kantelt, en daarmee de stijl, de toon, en onvermijdelijk dus ook wat ik wil zeggen met het boek.

Nu alleen nog uitvinden hoe die vorm precies kantelt. Mijn manier om dat te ontdekken, is uitproberen. Werkt een scène of hoofdstuk beter op manier A of manier B? Daar was ik net mee bezig, toen mijn redacteur vroeg of ik kon meedenken over een aanbiedingstekst voor de brochure en of ik ideeën had voor een omslag – januari 2018 is al best snel. Een week eerder had ik daar een kort en helder antwoord op kunnen geven, en volgende week denk ik ook wel weer, maar nu volgde een tamelijk knullig klinkend gestamel waarin al mijn twijfels en ideeën over elkaar struikelden.

Natuurlijk is dit goed, zo’n crisis. Creatieve onrust is het, en Ochtend op Denmark Hill zal er alleen beter van worden. Ik verwelkom het dus, en neem de stress voor lief. Dat was waarom je afgelopen weken niks van me hoorde. Ik had bedacht dit blog op een laag pitje te zetten, terwijl ik me concentreerde op het grote werk. Maar dat werkt niet, ik miste het. Ik ga slechter schrijven als ik niet af en toe dit doe. Je zult me dus misschien wat onregelmatiger hier zien de komende tijd, maar verdwijnen zal ik niet. En volgende keer heb ik het weer over een boek van een ander.

Leven en kunst

Met dank aan het Nederlands Letterenfonds ben ik op studiereis in Baskenland, en met dank aan mijn eigen planning was ik niet in Londen tijdens de aanslag gisteren. Dat klinkt als twee heel verschillende zaken in één zin, maar dat is het niet: komende maand ga ik naar Engeland, voor het tweede deel van mijn studiereis. De roman waarvoor ik onderzoek doe, begint in Londen, op de dag dat er een (vermeende) aanslag is geweest. Als ik mijn trip andersom had gepland, zou ik in Londen gearriveerd zijn in dezelfde hectiek als de hoofdpersoon in mijn roman. Ik heb geen zin om nu na te denken over deze vermenging van leven en kunst, omdat het te groot is en te direct, maar straks zal het wel moeten, als ik terug ben.

Ook mijn huidige bezoek aan Bilbao drukt me met mijn neus op die vermenging. Het is ronduit bevreemdend om rond te lopen in deze stad waar ik al meer dan twintig jaar niet ben geweest, maar die in mijn verbeelding is blijven bestaan, en zelfs in vrij veel detail is gereconstrueerd nu ik met Ochtend op Denmark Hill bezig ben, dat ook deels in Bilbao speelt. Het is alsof de echte stad niet de echte is – de huidige bedoel ik, die in 2017, waar ik nu in rondloop.

Die bevreemding werkt op verschillende niveaus. Eerst herkende ik de stad niet toen ik hem gisteren binnenreed. Nu kwam ik van het vliegveld en heb ik een hotel in Casco Viejo, aan de andere kant van de stad dan waar ik woonde, maar toch, als je me had gezegd dat ik in een heel andere Spaanse of Zuid-Franse stad was geweest, had ik je geloofd. Vooral de bergen vielen me op. Ik daalde af naar de stad, met de auto, en toen ik hier woonde wist ik ook best dat de stad in een vallei ligt, en zag ik ook de bergen aan het eind van elke doorkijk in de lange straten, maar ik kwam bijna nooit de vallei uit, ik leefde aan de oever van de rivier.

Gister ging ik ook te voet de vallei uit, twee keer zelfs, al was het maar tot halve hoogte. In Casco Viejo besteeg ik de trappen van Mallona, op zoek naar een straat die ik in Ochtend op Denmark Hill bovenaan die trappen heb gesitueerd. Maar blijkbaar ben ik vroeger nooit die trap tot het einde op gelopen, of herinner ik me niet wat daarboven was. In elk geval niet de straat uit mijn gedachten, maar een mooi aangelegd park en een aantal flatgebouwen die ook aan een costa hadden kunnen liggen, met daaronder autowerkplaatsen, bakkerijtjes en zowaar een ontwerpstudio.

Het meest bevreemdend, onthutsend zelfs, was mijn bezoek aan Deusto, de wijk waar ik heb gewoond. Ik herkende allerlei plekken: het hoge gebouw bij de rotonde; de universiteit; de supermarkt op Blas de Otero; de tabakswinkel op de hoek. Maar de meest vertrouwde plekken, waar ik veel tijd heb doorgebracht, strookten niet met mijn herinnering. Ze zagen er domweg anders uit. Het pleintje tussen Ramón y Cajal en Lehendakari Aguirre, had dat altijd zoveel lage muurtjes en allemaal speeltoestellen? Het is halfrond, maar in mijn herinnering is het vierkant, met alleen zo’n muurtje aan één lange zijde.

En ik kon mijn huis niet vinden. Ik wist nog welk blok, een van die lage flatgebouwen was het, maar welk? Bij elk portiek keek ik naar binnen, overal hetzelfde amberkleurige marmer, geen kwam me bekend voor, tot het punt dat ik tegenover die gebouwen stond en me afvroeg of ik hier wel gewoond had, of het echt geweest was. En zo zat ik met een stad die ineens niet meer bestond, in elk geval niet klopte, mijn herinnering niet, de werkelijkheid van 2017 niet, zelfs de feiten die beide zouden moeten verenigen, uitgevaagd.

Wel hetzelfde waren de blowende mensen. In mijn oude straat waren een paar bars open en van de vijftien mensen die buiten stonden, rookten er twaalf een joint. Deusto heeft altijd iets kansloos en opstandigs gehad, een combinatie die ik wel mag, net zoals de kapsels waar willekeurige stukken uit weggeschoren zijn, de piercings en de veel te grote wollen truien. Tegenstellingen zijn er ook, nog steeds, minder ETA en politie tegenwoordig, maar wel de universiteit in deze wijk die veel Spaanse koude kak trekt, en tussen de lelijke flats en de werkloosheid, ligt ook een besloten villawijkje. Of eigenlijk ligt het boven op een heuvel. Toen ik ernaartoe liep, mijn tweede klim uit de vallei, ontdekte ik alsnog mijn oude flat. We keken uit op die heuvel vanaf ons balkon, en er staat maar één gebouw met balkons.

Nu had ik dus mijn huis terug. Maar wat brengt me dat? Wat moet ik met dit Deusto van 2017, met de opgedoekte spoorbaan en de verroeste rails? Met de plekken op het pleisterwerk van de flatgebouwen waar de muren met cement zijn gerepareerd? Met de andere vorm van een plein? Wat willen deze details van me?

Ik ben blij dat ik vandaag naar Vitoria ga, een stad waar ik nooit ben geweest, op zoek naar een man die niet heeft bestaan.