Tagarchief: schrijven

Buiten

Mensen zijn niet gemaakt om binnen te zitten. Althans, dit mens niet. Ik denk het elke keer als ik buiten ben, vandaag onder de luifel van mijn tent terwijl ik koffie zet en de regen op het doek boven mij spat. Vroeger dacht ik het elke keer als ik ging zeilen. Meestal is het ochtend als ik dit denk, nu voor mijn tent, tijdens tochten op het Wad of het Lauwersmeer wanneer ik mijn kop voor het eerst die dag uit het luik van de kajuit stak. Je zou ook denken dat het meestal zomer is, maar dat is niet waar, ik denk het ook als ik in de herfst door de regen naar Amsterdam fiets of als ik in de winter mijn bomen snoei – omdat het steeds zo warm is, heb ik dat nu al een paar jaar tussen kerst en oud en nieuw gedaan.

Alleen kan ik niet buiten werken. Met een laptop is sowieso hopeloos, vanwege de zon en het scherm, maar ook op papier schiet het niet op. Een paar aantekeningen maken, daar blijft het bij. En lopen, als ik merk dat ik bagger schrijf, als de zinnen wel makkelijk uit mijn handen vloeien, maar niks zeggen en me beginnen te ergeren, dan wandel ik een halfuur tussen de bomen, tot ik weer een eenvoudige zin heb, een zin zonder ambities, die alleen zegt wat hij daar, op die plek moet zeggen.

Maar vandaag wordt het toch een poos binnen zitten, potlood in de hand, gebogen over een stapel papier, op zoek naar wat ik kan schrappen en misschien al iets schrijven van wat nog ontbreekt.

Onrust

Er is van alles aan het schuiven. Afgelopen week heb ik mijn studiereis naar Engeland omgeboekt. Vanwege een aangelegenheid in mijn familie ga ik een maand later. Dat omboeken zelf stelde niet veel voor, het bestond vooral uit lang luisteren naar vreselijke wachtmuziek – laat ze daar een keuzemenu voor bedenken – en speuren op websites naar alternatieve slaapplaatsen. Het was de meest concrete, en meest beheersbare verschuiving.

Mijn trip naar Baskenland heeft me veel opgeleverd, meer zelfs dan waarvoor ik was gegaan. Uiteraard weer praktische zaken: ik weet van sommige locaties nu precies waar ze zijn, hoe ze eruit zien; ik heb een veel betere voorstelling bij Baskische beeldende kunst uit de tweede helft van de twintigste eeuw; op mijn werkkamer ligt een stapel documentatie waar ik naar hartelust mijn nieuwsgierigheid op kan botvieren.

Maar ik kwam ook terug met een schuivende roman. Ik dacht voor vertrek een aardig beeld te hebben van hoe een voltooide Ochtend op Denmark Hill zou zijn; bij terugkeer wist ik het niet meer zo zeker. De verhaallijn wel, die zal niet veel veranderen, maar de vorm kantelt, en daarmee de stijl, de toon, en onvermijdelijk dus ook wat ik wil zeggen met het boek.

Nu alleen nog uitvinden hoe die vorm precies kantelt. Mijn manier om dat te ontdekken, is uitproberen. Werkt een scène of hoofdstuk beter op manier A of manier B? Daar was ik net mee bezig, toen mijn redacteur vroeg of ik kon meedenken over een aanbiedingstekst voor de brochure en of ik ideeën had voor een omslag – januari 2018 is al best snel. Een week eerder had ik daar een kort en helder antwoord op kunnen geven, en volgende week denk ik ook wel weer, maar nu volgde een tamelijk knullig klinkend gestamel waarin al mijn twijfels en ideeën over elkaar struikelden.

Natuurlijk is dit goed, zo’n crisis. Creatieve onrust is het, en Ochtend op Denmark Hill zal er alleen beter van worden. Ik verwelkom het dus, en neem de stress voor lief. Dat was waarom je afgelopen weken niks van me hoorde. Ik had bedacht dit blog op een laag pitje te zetten, terwijl ik me concentreerde op het grote werk. Maar dat werkt niet, ik miste het. Ik ga slechter schrijven als ik niet af en toe dit doe. Je zult me dus misschien wat onregelmatiger hier zien de komende tijd, maar verdwijnen zal ik niet. En volgende keer heb ik het weer over een boek van een ander.

Geologie van een boek

Een duimsprong is een manier om afstand te schatten. Je houdt je arm gestrekt voor je met je duim omhoog en kijkt beurtelings met je linker- en rechteroog naar die duim, het andere oog gesloten. De afstand die het gepeilde punt achter je duim verspringt, zegt iets over de afstand tot dat punt. Een erg nauwkeurige methode is het niet: aan het begin van Miek Zwamborns roman De duimsprong, schat Jens tijdens een tocht in de Alpen de afstand verkeerd in, iets wat je op zo’n plek fataal kan worden.

Niet veel later is hij verdwenen. De verteller – volgens de achterflap een jonge vrouw, maar ze blijft naamloos en nergens in de tekst wordt haar geslacht expliciet genoemd – volgt zijn voetsporen: ‘Hoe zoek je iemand van wie je niet weet welke kant hij is opgegaan? Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen.’ Al snel vermengt deze bedevaart zich met een reis door Europa op zoek naar informatie over de negentiende-eeuwse geoloog Albert Heim.

De verteller ziet Heim als een surrogaat-Jens en als ze uiteindelijk aan Heims graf staat, is dat ook het staan aan dat andere, niet bestaande graf. Niet dat Zwamborn daar zo uitgesproken over is, ze schrijft alleen ergens dat Heim achterna reizen een leegte in de verteller opvult en laat het verder aan de lezer om deze link te leggen.

Net als bij die duimsprong uit de titel, verspringt het verhaal, van Jens naar Heim en terug, en zo varieert Zwamborn met de afstand die in elke roman aanwezig is, op zijn minst tussen auteur en lezer, maar ook tussen auteur en verteller, verteller en andere personages, personages onderling enzovoort. Voor mij is dat waar De duimsprong om draait, die verschillende afstanden, die de roman lagen geven alsof je door verschillende aardlagen graaft. De verteller brengt een laag tussen zichzelf en haar verdwenen vriend aan, door het verhaal van Heim te vertellen als een soort ‘story by proxy‘, een plaatsvervangende zoektocht, en Zwamborn vergroot de afstand tussen haar lezer en haar verteller door die verteller via zulke omwegen te laten spreken.

De duimsprong is geen klassieke roman, eigenlijk is het zelfs nauwelijks een verhaal. Het is een eigenzinnig boek. Compromisloos, tegelijkertijd ijl, nauwelijks uitgesproken, bedeesd, voorzichtig geformuleerd, haast bang om er te zijn. Zwamborn doet niet aan uitleg, wat eraan bijdraagt dat je het boek als een totaalervaring over je heen laat komen. Geen achtergrond over de verteller. Wat doet ze? Is ze wetenschapper? Ze heeft (of had) een zus en ouders, maar ze interacteert nauwelijks met anderen, alleen een paar museummedewerkers. De duimsprong is fragmentarisch, beslaat een jaar of twee en vertelt eigenlijk alleen de geschiedenis van Heim compleet.

Ik heb eerder geschreven over de relatie literatuur en werkelijkheid, bijvoorbeeld over Connie Palmens Jij zegt het en de vraag in hoeverre je beleving van zo’n boek wordt bepaald doordat je de personages al kent uit de niet-fictieve wereld. Bij dit boek was dat anders, ik was haast verbaasd te ontdekken dat Heim echt bestaan heeft, zozeer is hij in de roman geweven en zo groot is toch ook hier weer, de afstand, waardoor de teksten over Heim eigenlijk helemaal niet zo over Heim gaan. Voor mij gaat de hele tekst trouwens ook niet zo over Jens, of zelfs over de verteller, maar creëren al die narratieven samen een wereld vol afstand en vervreemding. Dat is waar Zwamborn mij mee naartoe neemt, wat haar reliëf  in woorden oplevert: een kunstwerk dat zijn eigen parameters stelt, een werk dat er gewoon is, net als de Alpen.

Een handelshuis

Over Thomas Manns De Buddenbrooks

Waarom zijn het altijd de labiele, emotionele, zwakke kanten van de mens die mij trekken in de literatuur? In het dagelijks leven vind ik ze onaangenaam en reageer ik op ontboezemingen van sentimentele aard meestal met het advies de schouders eronder te zetten en het hoofd omhoog te houden (en ondertussen denk ik: ‘stel je niet aan’).

Gesprekken vind ik makkelijker als ze over praktische zaken gaan, de hypotheekrente of de kinderopvang of zo.

Maar hoe geestdodend zijn die gesprekken?

Dus maar boeken lezen, onderduiken in een wereld waar de afstand van de tekst de intimiteit draaglijk maakt. En in die wereld zijn al die praktische, louter functionele zaken uit den boze – daar wil ik dan ook niet mee lastig gevallen worden.

Gelukkig doet Thomas Mann dat ook niet. Een van de meest opvallende dingen aan De Buddenbrooks, een boek over de opkomst en ondergang van een handelshuis, is dat het nauwelijks over handel gaat. Op een gegeven moment koopt Thomas, erfgenaam van de firma Buddenbrook en het belangrijkste personage in het boek, een graanoogst op van een boer in moeilijkheden. Dat graan staat nog op het land en de aankoop is een risico dat zijn voorvaderen niet genomen zouden hebben, en terecht zo blijkt, de oogst wordt vernietigd door een hagelstorm. Dit deel van het verhaal, over het mislukte avontuur met de oogst ‘op halm’ gaat enigszins in op het werk – maar ook hier gaat het voornamelijk over wat die handeling betekent voor de gesteldheid van Thomas. Het boek gaat in de eerste plaats over de psyche van de personages – Thomas, zijn tamelijk nutteloze broer Christian en zijn verwende zus Tony, en zijn zoon, de labiele muziek-aficcionado Hanno, na wiens vroege dood de firma wordt geliquideerd.

Ik mag dan niet graag lastig gevallen worden met louter functionele zaken, dit boek staat wel bol van de beschrijvingen – weinig interieurs en landschappen overigens, wel veel uiterlijke kenmerken van personen. Maar het is nooit louter decor, Mann zegt er iets mee over karakter, of (en dat vind ik nog beter werken) over gemoedstoestanden: ‘Deze handen, waarvan de mooi verzorgde ovale vingernagels ertoe neigden een blauwige nuance te vertonen, konden op bepaalde momenten, in bepaalde, ietwat krampachtige en onbewuste houdingen een onbeschrijfelijke uitdrukking van afwijzende gevoeligheid en bijna angstige reserve aannemen…’ schrijft hij over Thomas. En dat precieuze formuleren, dat is ook Mann.

Niet dat hij het houdt bij enkel uiterlijke schetsen van zijn personages. Op een ochtend wordt Thomas vrij wanhopig, terneergeslagen, bijna depressief wakker. Hij denkt aan de dood en lijkt die te zien als een bevrijding van ‘deze persoonlijkheid en individualiteit van hem, deze logge, stugge, foutieve en verfoeilijke hindernis om iets anders en beters te zijn!’

‘Dit was het,’ gaat Mann verder, ‘wat midden in de nacht in zijn gemoed was opgekomen en hem had gewekt als een ontkiemende liefde. En terwijl hij het mocht begrijpen en inzien … was hij al vrij, was hij in wezen al verlost en van alle natuurlijke en kunstmatige barrières en kluisters ontdaan.’

Dat zul je bij Hemingway niet tegenkomen, zoveel gevoel zo direct weergegeven, daar is alles vrijwel alleen gedrag, het beroemde topje van de ijsberg. De gevoelens van de personages, hun beweegredenen moet je zelf invullen, en ook dat laat alle ruimte voor gevoeligheid, zonder haar uitgebreid te bespreken. Zie bijvoorbeeld het verhaal Hills like white elephants. Of Cat in the rain.

Ik vind het ongelofelijk knap gedaan, die verhalen van Hemingway, en ik lees ze ook graag. Toch vind ik Mann op dit punt aansprekender, herkenbaarder, verwanter – misschien gewoon Europeser.

En hoe zit het dan met de labiele, emotionele kanten van de mens? Zijn die mij vreemd? Geenszins. Van alle Buddenbrooks voel ik het meeste verwantschap met Hanno; niet omdat ik tuberculair ben, maar wel emotioneel, gevoelig, dramatisch; soms stuurloos; constant verloren tussen subliem en banaal – en dan luister ik alleen nog maar naar muziek, ik speel niet eens zelf, zoals Hanno.

Misschien is dit wel de kern van de literatuur: dat de mens een onaangenaam wezen is.

Citaten uit de vertaling van Thomas Graftdijk

Waarom weet ik dat die jas daar hangt?

Over Surfacing van Margaret Atwood

Verontrustend, intiem, dierlijk – Margaret Atwoods Surfacing trekt je de geest van haar hoofdpersoon in, een ontmoeting die mij nog lang bij zal blijven. Dat effect bereikt ze door haar stilistische keuzes, bijvoorbeeld door ons te vertellen over een jas.

Een jonge vrouw vertrekt met een aantal vrienden naar het woeste noorden van Canada om haar vermiste vader te zoeken. Ze bivakkeren een tijd op het verlaten eiland waar haar ouders op hebben gewoond. In de kamer waar de hoofdpersoon met haar vriend slaapt, hangt een jas aan een stok, een oude, leren jas.

‘Below the pictures at the foot of the bed there’s a grey leather jacket hanging on a rail. It’s dirty and the leather is cracked and peeling,’ schrijft Atwood.

Niet alleen schrijft ze het op, ze heeft het ook laten staan. Als ik werk, beschrijf ik kamers, landschappen, auto’s, kleding. En als ik een eerste versie van verhaal of roman geschreven heb, dan sloop ik al die beschrijvingen er weer uit. Ik heb ze nodig tijdens het werken, maar daarna hebben ze hun functie verloren; de lezer weet zelf heel goed hoe een slaapkamer eruitziet, of een supermarkt, of een bos.

Dat weet Atwood natuurlijk ook best, dat de lezer dat zelf wel invult. Wie in Surfacing op zoek gaat naar uitgebreide landschaps- of interieurbeschrijvingen, komt dan ook bedrogen uit.

Waarom dan wel deze jas? Ik heb een beetje vals gespeeld met het citaat hierboven. Dit is hoe de alinea verdergaat: ‘I see it for a while before I recognize it: it belonged to my mother a long time ago, she kept sunflower seeds in the pockets. I thought she’d thrown it out; it shouldn’t still be here, he should have got rid of it after the funeral. Dead people’s clothes ought to be buried with them.

Het gaat niet om de jas, het gaat om haar moeder, een vrouw die zonnebloemzaadjes in haar jaszak bewaarde. En het gaat om het hoofdpersonage, een jonge vrouw die zich dit over haar moeder herinnert, en die vindt dat haar vader de jas van haar moeder na de begrafenis had moeten wegdoen – niet aan het verleden blijven hangen, denkt ze.

Atwood had het hier bij kunnen laten, maar de laatste gedachte zet de hoofdpersoon nog sterker neer – omdat hij zo intrigerend is. ‘De kleren van dode mensen moeten met hen begraven worden.’ Wat voor persoon heeft hier een opvatting over? Wie denkt hier überhaupt over na?

Wat een beschrijving leek, blijkt een blik in iemands geest. Ik heb een term bedacht voor dit principe, ik noem het: ‘observations cause thoughts’ (ik heb het nu eenmaal bedacht toen ik een Engelstalig boek las). En het is een goede richtlijn als je je afvraagt welke beschrijvingen je uit je werk moet snoeien, en welke je beter kunt laten staan.

Houvast in een schimmenwereld

Villa Triste van Patrick Modiano

Hoe ver kun je de raadselachtigheid in een tekst opvoeren zonder dat je de lezer kwijtraakt?

Villa Triste gaat over een jongeman die naar een badplaats is gevlucht en daar deel uitmaakt van het gezelschap rond een verlopen arts en een wannabe actrice. Alle drie vallen ze buiten het gebruikelijke leven; ze fladderen langs de andere personages met wie ze los-vaste betrekkingen hebben. Ook hun onderlinge relatie is een troebele mix van belangen en behoeftes. Het verhaal wordt extra vluchtig doordat Modiano’s hoofdpersoon terugblikt op deze periode, wanneer hij om onduidelijke redenen opnieuw in de badplaats is. Modiano schept er een prachtig en intens romantisch boek mee.

Wat voor verhaal is het? Een tragisch liefdesverhaal over de uit hand gelopen kalverliefde van hoofdpersoon Victor voor Yvonne, de actrice? Of is het een verhaal-op-afstand over Meinthe, de arts, wiens bestaan eindigt in zelfmoord? Ongeveer zoals de vertellers in The Great Gatsby of Moby Dick een doorgeefluik zijn voor de verhalen van Gatsby en Ahab? Maar anders dan die vertellers, is Victor zelf het belangrijkste personage in het verhaal, hij ís het verhaal, zijn gemoedstoestand, de blik waarmee hij de wereld opneemt, de stem waarmee hij er verslag van doet, zijn de substantie van Villa Triste.

Het motto van de roman, afkomstig van Dylan Thomas, luidt: ‘Wie ben jij, jij bespieder van schimmen?’ Modiano beantwoordt die vraag niet voor ons. Hij weerstaat de neiging iets op te lossen, uit te leggen of te verklaren, hij legt de gebeurtenissen alleen aan ons voor, of voor ons neer.

Wat Modiano wel doet, is dwingend, gedetailleerd beschrijven. Straatnamen, kleuren enzovoort. Hij wijdt bijvoorbeeld een hele alinea aan het uiterlijk van Yvonne’s oom: ‘Ik bestudeerde hem heimelijk. Hij had welig, bruin haar en een rode gelaatskleur, maar grote donkere ogen en zeer lange wimpers gaven dat grove gezicht toch iets innemends en iets kwijnends. Hij was in zijn jeugd waarschijnlijk wel een mooie jongen geweest, maar een beetje gedrongen. Zijn lippen daarentegen waren smal en geestig, zeer Frans.’

Met ‘innemends en kwijnends’ en Victors gedachten over de jeugd van de oom heeft deze beschrijving wel persoonlijke elementen die intrigeren, maar de vele details geven je als lezer nauwelijks gelegenheid om zelf iets in te vullen. Dat is de compensatie die Modiano biedt voor alle ruimte in het verhaal – je kunt je vasthouden aan de details, zodat Villa Triste niet door je vingers glipt.

Citaten uit de vertaling van Edu Borger

De aardige vrouw met de koffie is net even weg

Nooit meer slapen van W. F. Hermans

Mijn grootste vrees, en van vele schrijvers met mij vermoed ik, is dat wat ik schrijf saai is. Ik ben niet bang om over saaie mensen te schrijven, of om een verhaal te vertellen waarin vrijwel niets gebeurt, waarin misschien zelfs geen verhaal aanwezig is – ik bedoel de angst dat je tekst saai is om te lézen.

Wat je nodig hebt is conflict, hoe klein ook, en een boek dat er bol van staat is Hermans’ Nooit meer slapen. Alfred Issendorf onderneemt een tamelijk amateuristische wetenschappelijke expeditie, meer gedreven door eerzucht dan belangstelling, en werkelijk alles zit hem tegen. Dat geldt niet alleen op grote schaal – de mensen die hem kunnen helpen door hem de juiste luchtfoto’s te geven, doen het niet, uit onwil of door onbenul, en de ontdekking die hij hoopte te doen wordt door een ander gedaan. Het geldt juist ook op kleine schaal, in elke handeling, elke ogenschijnlijk onbeduidende interactie. Meer dan het overkoepelende melodrama, is het deze continue wrijving die de tekst zijn oorspronkelijkheid geeft, die de identiteit van het boek vormt.

‘De portier is een invalide,’ begint Hermans, en niet alleen is de man fysiek niet goed in staat om Issendorf te helpen – hij kan zijn aanbevelingsbrief niet lezen – hij lijkt er ook helemaal geen zin in te hebben. Dit is de meest behulpzame mededeling die Issendorf uit de portier weet los te krijgen: ‘Het is mogelijk dat professor Nummedal op zijn kamer is.’ We zijn dan anderhalve pagina verder.

Achter deze ontvangstbalie had Hermans ook een aardige jonge vrouw kunnen plaatsen die koffie voor Issendorf haalde. Maar Alfred Issendorf is geen personage dat aardige jonge vrouwen tegenkomt die koffie voor hem halen. Als hij komt opdagen zal het universum altijd zo tegen hem samenspannen dat de aardige vrouw met de koffie net even weg is.

Zo’n keuze, in dit geval voor het soort poortwachter, is één manier om voor wrijving te zorgen, ín een tekst. Er zijn ook teksten die een conflict creëren met de lezer. Een boek dat de lezer – in elk geval deze lezer – uitdaagt door een mysterie groter te maken, is Niña Weijers De consequenties. Daarover binnenkort meer.