Tagarchief: Robert Seethaler

Winteroogst

 

Dit is mijn eerste bericht sinds oktober. Ik was bezig Ochtend op Denmark Hill af te ronden en kon blijkbaar de afleiding van dit blog daar niet bij gebruiken. Nu ligt Ochtend op Denmark Hill in de winkel en trekt deze site aan me, als een vriend of familielid dat lang genoeg aan de kant heeft gestaan en nu weer de aandacht opeist die hem toekomt.

Dat ik hier niks heb geschreven, betekent niet dat ik in die maanden niks heb gelezen. Twee boeken zijn als dromen in de mist blijven hangen, flarden die ik half geconcentreerd tot mij heb genomen terwijl ik schreef aan Ochtend, het einde van de roman herzag, het begin herzag, nog een keer het begin herzag.

Het eerste boek is Robert Seethalers Ein ganzes Leben. Ik las het in het Duits, wilde dat weer eens proberen omdat ik nu eenmaal van talen hou – jaren gaf ik les in Engels, Nederlands als tweede taal, taalbeheersing. Ein ganzes Leben speelt zich af in Oostenrijk, grotendeels voor de Tweede Wereldoorlog, en gaat over een man die kabelbanen bouwt. Ik moest woorden als ‘Ochsenstange‘ (een dwarshout in een stal waar je vee aan vast kunt binden) opzoeken, maar dat was niet de enige reden waarom ik maar moeilijk in het verhaal kon afdalen. Dat verhaal vertelt het leven van Andreas Egger, van geboorte tot dood, met als breekpunt het verlies van zijn geliefde, waarna de noeste arbeider Egger stug en betrekkelijk minzaam doorleeft. Het boek is gewild eenvoudig, gaat over een eenvoudige man en wil maar al te graag het gewicht van zo’n eenvoudig leven laten voelen, zo zeer dat de zinnen zelf er zwaar van worden: ‘Sein Leben lang dachte Andreas Egger immer wieder an diesen Augenblick zurück, an dieses kurze Lächeln an jenem Nachmittag vor dem leise prasselnden Wirtshaushofen.‘ Je zult het weten ook, dat dit een belangrijk moment was voor Egger, het mocht je eens ontgaan zijn.

Het was me allemaal teveel, te veel gewild, te veel een kunstje, met een suggestie van diepgang die het werk in mijn ogen niet waarmaakt. En dat is zonde, want diepgang is niet verplicht. Maar als het er zo vanaf druipt dat je iets betekenisvols wilt zeggen, moet dat er wel inzitten. Nu houd je edelkitsch over. Het was geen straf om dit boek te lezen, maar mijn interesse in het overige werk van Seethaler heeft het niet gewekt.

Hoe anders was dat bij Dubravka Ugresic’ De Vos. De onderwerpkeuze in dat boek is weliswaar meer high brow dan in Ein ganzes Leben, toch vind ik De Vos minder pretentieus. Het is een boek waarvan ik me al vrij snel afvroeg wat ik aan het lezen was. Op het omslag staat roman, en toen ik het boek uit had begreep ik ook waarom, maar het begint in feite met een essay over een tamelijk obscure Russische schrijver. Ik heb opgezocht of deze persoon überhaupt bestaan heeft. Dat doet er natuurlijk niet echt toe, zei ik tegen mezelf, maar omdat Ugresic zo achteloos overpeinzingen en herinneringen eruit lijkt te gooien, vroeg ik me toch af hoe feitelijk het boek was.

Eerst dacht ik dat dit vooral voortkwam uit een kinderlijk verlangen om te weten wat echt was en wat niet, een soort primaire behoefte om de werkelijkheid te scheiden van de verdichting. Maar mijn verlangen gaat verder, het zogenaamde waarheidsgehalte interesseert me eerlijk gezegd weinig, al is het maar omdat je bij een roman die waarheid beter in de geest van het boek kunt zoeken dan in de vermelde feiten.

In het midden van de roman heeft de vertelster, een schrijfster van middelbare leeftijd, een buitenhuisje geërfd in haar geboorteland Kroatië. Ze treft er een kraker aan, een voormalig rechter die nu mijnen opruimt die zijn overgebleven na de laatste Balkan-oorlog. Ik ben dan vooral benieuwd hoe Ugresic zoiets doet. Heeft ze ooit zo’n huisje gehad? Kent ze een oud-rechter? Wie ruimt er nu die mijnen op, als dat al gebeurt? Wat doet het ertoe zou je zeggen, en dan heb je gelijk, het doet er net zo weinig toe als de vraag of Ugresic’ echt een lezing heeft gegeven op een dure privéschool in Italië en of de studenten daar echt de antwoorden op haar vragen gaven die in De Vos staan.

Het niet toevallig dat ik mezelf vragen stel over hoe dit verhaal is ontstaan. Ugresic stelt hem zelf in algemene zin aan het begin van de roman: waar komen verhalen vandaan? En daarmee lijkt het hele boek een met voorbeelden onderbouwd betoog waarvan het standpunt nooit wordt geëxpliciteerd. Lijkt, want misschien is er niets waar van die voorbeelden. Zelfs als ze zijn ontsproten aan de werkelijkheid, ze zijn verdicht, de werkelijkheid is rommelig en De Vos is zorgvuldig geconstrueerd. En is dat niet de essentie van literatuur, die verdichting, die laag tussen ons en de werkelijkheid waarin we de wereld kunnen vastpakken en temmen en ordenen op zo’n manier dat we er iets zinnigs mee kunnen?