Tagarchief: Ochtend op Denmark Hill

Chandler

Ik heb een verzamelband met de laatste romans van Raymond Chandler. Het is zo’n volume met ruim duizend dundrukpagina’s met kleine letters en een glanzend zwart stofomslag uit de Library of America-serie. Tijdens het redigeren van Ochtend op Denmark Hill las ik er drie romans achter elkaar uit: The lady in the lake, The long goodbye en Playback. Werk dat een eind van het mijne af staat, in thematiek, in verhaalvorm, in schrijfstijl. Tijdens het redigeren lees ik het liefst iets waarvan ik denk dat het me niet zal beïnvloeden in woordkeuze of zinsbouw of, nog erger, me laat denken: ‘zo’n boek had ik moeten schrijven!’ Gelukkig kwam dat laatste bij mijn tweede roman minder voor dan bij mijn eerste, en veel minder dan bij het niet-gepubliceerde werk daarvóór.

Wie de verfilming van The Big Sleep met Humphrey Bogart en Lauren Bacall niet heeft gezien, moet dat eens doen, alleen al om je erover te verbazen waarom er in hedendaagse grote Hollywoodproducties geen sterke vrouwenrollen meer voorkomen zoals die van Bacall. Maar het is vooral ook een erg goede film.

Dat in mijn hoofd de papieren Philip Marlowe uit de romans al snel de door Humphrey Bogart gespeelde versie verdrong, zegt veel over de kracht waarmee Chandler je zijn romans in weet te trekken. Ik wist wel dat ik zijn werk goed vond, sinds een vriendin me ooit The little sister leende, maar dat was al een tijd geleden en het was prettig dat die eerdere ervaring bevestigd werd.

Wat trekt me zo aan in deze romans over privé-detective Philip Marlowe? Of eigenlijk moet ik zeggen: romans over de verwikkelingen waarin Marlowe terecht komt, over het personage Marlowe gaan de romans juist vrijwel niet.

Om bij die verwikkelingen te beginnen: hoewel Chandler murder novels schrijft (een term waaraan hij in zijn essay ‘The simple art of murder‘ de voorkeur lijkt te geven boven detective stories), is het hem er allerminst om te doen een spelletje met de lezer te spelen. In zijn romans geen personages die om de beurt verdenkingen op zich laden en geen bovenmenselijke speurneus die je aan het einde vertelt of je het bij het juiste eind had.

Kern van de romans is de situatie waarin Marlowe verzeilt raakt en zijn zoektocht naar opheldering. We reizen mee in zijn gedachten, met zijn frustraties, angsten en (kleine) doorbraken; eigenlijk lijkt het best op het leven zelf.

Vooral in The long goodbye loopt van alles door elkaar, het is net zozeer een verhaal over vriendschap en trouw, en over liefde en een huwelijk, als een detectiveverhaal waarin een moord moet worden opgelost. Dat deel van de handeling begint zelfs pas als je al een goed eind op weg bent in het boek, en is bijna een secundaire verhaallijn. Start van The long goodbye is een onbaatzuchtige daad van Marlowe voor een toevallige voorbijganger. Daar blijken consequenties aan te zitten, en in wat volgt trekt de hele maatschappij voorbij.

Moord heeft sociologische implicaties schrijft Chandler in het hierboven aangehaalde essay en hij grijpt de mogelijkheden die een murder novel biedt om in de breedte de maatschappij in te duiken, met beide handen aan. Zijn personages komen uit alle walks of life, maar worden nergens plat of programmatisch. Ze hebben hun eigen verlangens, wanen en belangen, en lopen net zozeer tegen misverstand en pech aan als tegen moedwil en opzet.

Chandler idealiseert de wereld waarin we leven niet, en misschien daardoor veroordeelt hij ook zijn moordenaars niet. Uit de romans spreekt een soort betrokkenheid die mij achteraf wel wat deed denken aan een andere bekende schrijver van detectiveverhalen, Henning Mankell. Maar er is een groot verschil: bij Mankell is het maatschappelijke engagement veel directer en platter. Natuurlijk is er helemaal niks mis mee om sterke politieke overtuigingen te hebben, maar in de literatuur slaat het de boel dood. Je wilt de lezer aan het denken hebben, of nog beter, aan het voelen of beleven zonder dat hij of zij daar zelf teveel bij stilstaat. Zelfs als je een politicus met sterke opvattingen als hoofdpersoon hebt, moet je mijns inziens nog steeds, of zelfs juist, die ruimte aan de lezer bieden.

Chandler doet dat beter. Ook stilistisch, zijn zinnen zijn een plezier om te lezen, doeltreffend, bij vlagen poëtisch.

Hij schrijft gewoon goede romans, romans van een bepaald soort, zeker, waarbij het genre eisen stelt aan de vorm. Maar goede fictie is het, en goede literatuur ook, die niet alleen iets zegt over het plot en de personages maar ook wel degelijk over de wereld waarin wij leven, in de eerste plaats die van Los Angeles in het midden van de twintigste eeuw, maar Chandlers psychologische inzicht en maatschappelijke commentaar zijn universeel genoeg om ook ons, nu, hier, aan te spreken en daarmee toont hij zich een kunstenaar, een artist zoals de Amerikanen zouden zeggen, die geen genoegen neemt met enkel het schrijven van een verhaal dat voldoet aan de eisen van het genre.

Winteroogst

 

Dit is mijn eerste bericht sinds oktober. Ik was bezig Ochtend op Denmark Hill af te ronden en kon blijkbaar de afleiding van dit blog daar niet bij gebruiken. Nu ligt Ochtend op Denmark Hill in de winkel en trekt deze site aan me, als een vriend of familielid dat lang genoeg aan de kant heeft gestaan en nu weer de aandacht opeist die hem toekomt.

Dat ik hier niks heb geschreven, betekent niet dat ik in die maanden niks heb gelezen. Twee boeken zijn als dromen in de mist blijven hangen, flarden die ik half geconcentreerd tot mij heb genomen terwijl ik schreef aan Ochtend, het einde van de roman herzag, het begin herzag, nog een keer het begin herzag.

Het eerste boek is Robert Seethalers Ein ganzes Leben. Ik las het in het Duits, wilde dat weer eens proberen omdat ik nu eenmaal van talen hou – jaren gaf ik les in Engels, Nederlands als tweede taal, taalbeheersing. Ein ganzes Leben speelt zich af in Oostenrijk, grotendeels voor de Tweede Wereldoorlog, en gaat over een man die kabelbanen bouwt. Ik moest woorden als ‘Ochsenstange‘ (een dwarshout in een stal waar je vee aan vast kunt binden) opzoeken, maar dat was niet de enige reden waarom ik maar moeilijk in het verhaal kon afdalen. Dat verhaal vertelt het leven van Andreas Egger, van geboorte tot dood, met als breekpunt het verlies van zijn geliefde, waarna de noeste arbeider Egger stug en betrekkelijk minzaam doorleeft. Het boek is gewild eenvoudig, gaat over een eenvoudige man en wil maar al te graag het gewicht van zo’n eenvoudig leven laten voelen, zo zeer dat de zinnen zelf er zwaar van worden: ‘Sein Leben lang dachte Andreas Egger immer wieder an diesen Augenblick zurück, an dieses kurze Lächeln an jenem Nachmittag vor dem leise prasselnden Wirtshaushofen.‘ Je zult het weten ook, dat dit een belangrijk moment was voor Egger, het mocht je eens ontgaan zijn.

Het was me allemaal teveel, te veel gewild, te veel een kunstje, met een suggestie van diepgang die het werk in mijn ogen niet waarmaakt. En dat is zonde, want diepgang is niet verplicht. Maar als het er zo vanaf druipt dat je iets betekenisvols wilt zeggen, moet dat er wel inzitten. Nu houd je edelkitsch over. Het was geen straf om dit boek te lezen, maar mijn interesse in het overige werk van Seethaler heeft het niet gewekt.

Hoe anders was dat bij Dubravka Ugresic’ De Vos. De onderwerpkeuze in dat boek is weliswaar meer high brow dan in Ein ganzes Leben, toch vind ik De Vos minder pretentieus. Het is een boek waarvan ik me al vrij snel afvroeg wat ik aan het lezen was. Op het omslag staat roman, en toen ik het boek uit had begreep ik ook waarom, maar het begint in feite met een essay over een tamelijk obscure Russische schrijver. Ik heb opgezocht of deze persoon überhaupt bestaan heeft. Dat doet er natuurlijk niet echt toe, zei ik tegen mezelf, maar omdat Ugresic zo achteloos overpeinzingen en herinneringen eruit lijkt te gooien, vroeg ik me toch af hoe feitelijk het boek was.

Eerst dacht ik dat dit vooral voortkwam uit een kinderlijk verlangen om te weten wat echt was en wat niet, een soort primaire behoefte om de werkelijkheid te scheiden van de verdichting. Maar mijn verlangen gaat verder, het zogenaamde waarheidsgehalte interesseert me eerlijk gezegd weinig, al is het maar omdat je bij een roman die waarheid beter in de geest van het boek kunt zoeken dan in de vermelde feiten.

In het midden van de roman heeft de vertelster, een schrijfster van middelbare leeftijd, een buitenhuisje geërfd in haar geboorteland Kroatië. Ze treft er een kraker aan, een voormalig rechter die nu mijnen opruimt die zijn overgebleven na de laatste Balkan-oorlog. Ik ben dan vooral benieuwd hoe Ugresic zoiets doet. Heeft ze ooit zo’n huisje gehad? Kent ze een oud-rechter? Wie ruimt er nu die mijnen op, als dat al gebeurt? Wat doet het ertoe zou je zeggen, en dan heb je gelijk, het doet er net zo weinig toe als de vraag of Ugresic’ echt een lezing heeft gegeven op een dure privéschool in Italië en of de studenten daar echt de antwoorden op haar vragen gaven die in De Vos staan.

Het niet toevallig dat ik mezelf vragen stel over hoe dit verhaal is ontstaan. Ugresic stelt hem zelf in algemene zin aan het begin van de roman: waar komen verhalen vandaan? En daarmee lijkt het hele boek een met voorbeelden onderbouwd betoog waarvan het standpunt nooit wordt geëxpliciteerd. Lijkt, want misschien is er niets waar van die voorbeelden. Zelfs als ze zijn ontsproten aan de werkelijkheid, ze zijn verdicht, de werkelijkheid is rommelig en De Vos is zorgvuldig geconstrueerd. En is dat niet de essentie van literatuur, die verdichting, die laag tussen ons en de werkelijkheid waarin we de wereld kunnen vastpakken en temmen en ordenen op zo’n manier dat we er iets zinnigs mee kunnen?

Drie keer afstand

Op Camberwell Green besefte ik zeventien jaar geleden dat maar weinig mensen die in Londen wonen, er ook echt vandaan komen, en dat dat een belangrijke reden was waarom ik me er zo op mijn gemak voelde. Veel inwoners van Londen zijn ernaartoe verhuisd, vaak uit een ander land. En van degenen die er geboren zijn, heeft een groot deel ouders of grootouders die ernaartoe verhuisd zijn. Je kunt de statistieken erop naslaan, maar voor mij telde het straatbeeld: daar op Camberwell Green, bij de bushalte van lijn 36, zag ik dat niemand daar thuishoorde, en dat dus iedereen er thuishoorde, ook ik.

Eigenlijk kom ik nergens vandaan, niet helemaal in elk geval. Curaçao niet, Limburg niet, en Groningen: ik ben er wel geboren, maar is dat hetzelfde als er vandaan komen? (Pas nu ik dit opschrijf, realiseer ik me hoe anders dat voor mijn ouders is. Mijn moeders familie gaat generaties terug op Curaçao, die van mijn vader generaties in Limburg. Eeuwen, in beide gevallen. Zij komen wel ergens vandaan, al wonen ze er niet meer.)

Ik vond het prettig, de afstand tussen mij en plaatsen van herkomst, zowel mijn eigen plaatsen van herkomst, als die van de anderen. En ik voelde me thuis in dit level playing field, waar eigenlijk niemand een sterkere claim had op de omgeving dan een ander. Bovenal voelde ik me bevrijd, ik was op een plek waar niemand mij kende, waar ik een toekomst bij elkaar kon fantaseren zoals ik hem wilde, en indien nodig nog een verleden ook.

Zes weken geleden was ik er weer, en maakte de foto hierboven. Inmiddels heb ik mijn thuis gebouwd, maar de afstand werkte nog steeds bevrijdend. Zowel op mijn eerdere trip naar Sanje, als op deze naar Engeland, bezocht ik plekken waar ik vroeger gewoond heb. Dat had vooral praktische redenen, ik onderzocht locaties voor mijn nieuwe roman, Ochtend op Denmark Hill. Wat ik vooraf niet had bedacht, maar wat misschien wel meer heeft opgeleverd, is dat ik door deze trips loskwam van mijn eigen verhaal. De beelden die je hebt verzameld in een leven, van plaatsen, gebeurtenissen, personen, vind ik meestal handig bij het schrijven, maar ze kunnen ook in de weg staan. Soms willen ze je dwingen om je aan de feiten te houden, alsof ze je meezuigen in de vorm waarin ze zich ooit gemanifesteerd hebben. Nu was het alsof ik oude dozen opruimde. Weg met de schoolschriftjes, de brieven en kaartjes, de verzamelde zooi van een leven – alle ruimte voor de verbeelding.

Over een paar weken stuur ik het manuscript van Ochtend op Denmark Hill aan mijn redacteur. Dat wordt de eerste keer dat zij de hele tekst ziet, en ook de eerste keer dat ik hem helemaal zie, want ik moet nog een paar hoofdstukken afmaken. Daarna is nog alle tijd voor aanpassingen (ik weet er al een aantal…) maar ik moet nu wel haast maken om die eerste versie volledig te hebben.

En daarin kun je doorschieten – ik ben vast niet de enige. Opgeslokt door de tekst, en nu vooral door het handelingsverloop – wat wil ik nog vertellen – kun je ook die tekst zelf vergeten. Want uiteindelijk is dat natuurlijk wat je maakt: een tekst. Een verzameling woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken. En toen ik laatst teruglas wat ik had geschreven terwijl ik zo werd meegesleept, zag ik wat ik vergeten was. Een zekere afstand tussen jezelf en de tekst is nodig, niet altijd, je moet je ook kunnen laten verassen, kunnen ontdekken, maar je moet met professionele distantie blijven kijken, en af en toe genadeloos op de deleteknop drukken. Om daarna de scène te schrijven zoals die wel moet zijn, in één roesvolle, trefzekere dag.

 

 

Zin

Wat is het toch met deze stad? Ik ben sinds vanmiddag in Brighton en ik heb alleen maar zin in bier, seks, hasj en de hele nacht dansen met een pil in mijn mik, en dat laatste heb ik hier zelfs nooit gedaan vanwege de idiote sluitingstijden van de clubs (drie uur ’s ochtends of zo).

Het is niet waarvoor ik hiernaartoe ben gekomen, dus ik heb alleen een pizza gegeten en zit nu braaf op mijn hotelkamer achter mijn laptop met een kop koffie en een stuk chocola – maar ergens is het natuurlijk ook wèl waarvoor ik hier ben, dat gevoel. Waar komt het vandaan? Is het alleen dat de zon nu schijnt? Dat er een strand is, en allemaal jonge mensen die nu bier drinken op dat strand en die straks op stap gaan? Ik weet precies hoe zo’n verlangen eindigt; er zit iets wanhopigs in. Het onbekommerde genot is er snel vanaf, dan heb je het beste gehad en wil je niet minder. Terwijl je een kater hebt, niemand met je naar bed wil en de lucht allang weer grijs is, is het enige wat je kunt bedenken nog maar een nieuwe joint draaien en zo verder.

En nu denk je misschien: dat geldt niet voor mij, maar jawel, ook voor jou, als je hier zou zijn wel, ook al zou je misschien andere genotmiddelen kiezen. Al die jonge mensen op het strand, ze waren anders dan die jonge mensen in Bilbao. Daar had ik zelf ook helemaal niet deze aandrang tijdens mijn bezoek twee maanden terug, terwijl Bilbao een veel geschiktere plek is om te feesten: de clubs blijven in elk geval de hele nacht open en zon is er sowieso meer. Het is ook echt niet zo dat die studenten in Bilbao niet van een drankje hielden of een joint of een pil of wat dan ook, maar die machteloze overgave van hier was er gewoon niet.

Denk aan een Engelse voetbalsupporter op het Europese vasteland en je weet precies wat ik bedoel. Hoe aantrekkelijk die zon hier ook is, en het strand, en het verlangen dat deze stad oproept, er zit iets in wat de hele onderneming bij voorbaat al kansloos maakt.

Bentley Street

Londen is precies zoals ik me herinner: lawaaiig, stinkend en nat. Rondom Victoria Station hangt de geur die bij het gebied hoort zolang als ik het ken, een vettig mengsel van te lang gebakken uien, uitlaatgassen en iets van roet, maar dat kan het niet zijn want de treinen rijden al lang niet meer op stoom. Toch is het een mix van smeer en stof die je alleen bij het station ruikt.

Hetzelfde zijn ook nu de stijve benen van de lange zit in de trein, en dan is die trein nog twee keer zo snel als de bus die ik vroeger nam. En ik krijg weer buikpijn van het belabberde eten, maar gelukkig helpt een pint daar nog net zo goed tegen als ik me herinner.

Vandaag heb ik in de regen door Belgravia gesjouwd, een dure wijk vlak naast Victoria Station. Zoekend naar een pizzeria, locatie van een scène die ik al geschreven heb, en ondertussen peilend wat een geschikt appartement voor een van mijn personages zou zijn. De buurt is meer in-your-face rijk dan ik me herinner; op Eaton Square tel ik aan één kant van de straat al vier geparkeerde Bentleys. De eenzame BMW ertussen lijkt wat verloren. Misschien is dit ook gewoon veranderd, maar ik denk het niet, Londen, zeker hier in het centrum, is nauwelijks anders dan in mijn gedachten. Bilbao was dat wel, maar wereldsteden hebben een eigen tijdloosheid, ze zijn vanaf de eerste ontmoeting al te onpersoonlijk.

Nu weet ik niet meer zeker of dat personage voor wie ik een huis zoek, wel hier moet wonen. De Bentleys, en zelfs de straatnaam zal ik waarschijnlijk niet noemen, dus je kunt je afvragen of het voor de lezer veel uitmaakt. Maar toch wil ik dat de look-and-feel klopt, al is het maar voor mezelf. En een pizzeria heb ik nergens gezien.

Ik ben benieuwd hoe het morgen zal zijn, dan ga ik naar Camberwell en naar Denmark Hill, de wijk uit de titel van mijn nieuwe roman. Dat voelt voor mij meer als mijn deel van de stad, persoonlijker – denk ik nu, maar misschien is dat helemaal niet meer zo.

Stem, personage, compositie

Er zijn natuurlijk meer dingen te bedenken die een roman sterk maken, maar de drie uit de titel hierboven zijn niet verkeerd om mee te beginnen, en bovendien spelen ze al een tijdje door mijn hoofd. Ik dacht ze behoorlijk op een rijtje te hebben voor Ochtend op Denmark Hill, al vond ik dat bepaalde personages misschien nog wat meer uit de verf mochten komen, maar zoals ik eerder al schreef, is alles begonnen te schuiven.

En hoe belangrijk zijn die personages? Neem de monnik Bonaventura, Eldert Haman in het wereldlijk bestaan, protagonist van Jeroen Brouwers Het hout. De roman gaat over een jongensinternaat in de jaren vijftig en een monnik die zich langzaam losmaakt uit die omgeving. Tijdens het lezen bekroop mij de vraag welk verhaal Brouwers vertelt. Van het klooster, van de ontzetting die heerst in zo’n gesloten gemeenschap met sadistische tirannen aan het roer? Daar slaagt hij bijzonder goed in in het begin van het boek, de nacht waarin een van de jongens in het internaat verdwenen is. Of wil Brouwers het verhaal van Eldert Haman vertellen in die gemeenschap? Nu lijkt dat personage wel heel erg een functie van het verhaal, en dat zijn personages natuurlijk altijd, maar hier valt het op. Er wordt wel steeds een worsteling aangeduid die Haman zou doormaken, maar ik vind die innerlijke strijd niet erg overtuigend, of zelfs maar aanwezig. Echt bang voor de hel lijkt Haman me niet, al duiken er hier en daar wat duivels op. Hij is nogal laconiek over het geloof. De jongens beschermen, voert hij op een gegeven moment aan, en in het begin, als een van die jongens zoek is, voel je inderdaad Hamans angst, maar als hij tien dagen in Duitsland is, weg van de jongens, denkt hij geen moment aan ze.

Wat overtuigt in de roman, is de vertelstem. Brouwers gaat zijn eigen gang. Hij schuwt het functionele niet met zinnetjes als: ‘Dit laatste zeg ik niet, ik denk het erbij’ – een mededeling die ik geneigd zou zijn te schrappen – maar hij laat Haman ook beeldend observeren, in allesbehalve versleten taal: ‘Bartholomeus klost binnen’, over een monnik die de refter in loopt. Vertelt Brouwers, in plaats van te laten zien, dan weet hij dat treffend te doen: ‘Ik bleef wel ik, zoals meel meel blijft maar zonder notie dat het al deel uitmaakt van een klomp deeg.’ En: ‘Als onder volledige verdoving, waarin de kanker uit de patiënt wordt gesneden, verdween ik uit mezelf, want ik was de kanker, zeiden ze.’ Deze zinnen gaan over Eldert Hamans opname in de kloostergemeenschap. De stem, de taal, vind ik mooi, maar ze hebben als nadeel dat ze Haman als personage vrij vaag houden. Genieten van die zinnen kan ik wel, net als van deze: ‘…niet te zien door de verblindende zonbalken die schuin door de ramen in het middenschip hangen, doorschoten door stilhangend stof…’. Dat ‘doorschoten’ is een vondst waar ik jaloers op ben.

Dan compositie. Het hout bestaat uit drie delen, die – in elk geval voor deze lezer – elk in een paar bewegingen onderverdeeld zijn. Die bewegingen, zoals ik ze noem, verschillen weer in tempo. Deel I bijvoorbeeld opent met een snelle beweging – de nacht waarin men op zoek is naar de vermiste jongen, waar de hele tijd een grote dreiging boven hangt. De tweede beweging is langzamer, daarin wordt de geschiedenis van Haman verteld, zijn intrede in het klooster. Daarna volgt een derde beweging, waarin Patricia wordt geïntroduceerd, de vrouw die Haman uiteindelijk weer uit het klooster laat vertrekken, ook weer met een eigen tempo (iets sneller) en klankkleur. Deel II en III kun je op een vergelijkbare manier onderverdelen. Het geeft Het hout een gebalanceerde opbouw, waarin die variaties in tempo goed waarneembaar zijn en voor mij voegt dat een extra laag toe aan de roman, maakt dat de tekst op een bepaalde manier muzikaal.

Er zijn mensen die zeggen dat de stem van de auteur alles is in de literatuur, of in elk geval allesbepalend. Als ze daarmee alleen op de vertelstem doelen, ben ik het niet met ze eens. Ik kijk toch meer naar de totale handtekening van een auteur, waarin compositie, wereldbeeld en gevoelszin van het werk toch net zo belangrijk in zijn. Maar misschien is dat alles tezamen wel die stem, plus nog wat dingen die niet te benoemen zijn. Op één enkel aspect lijkt het niet aan te komen, zoals Het hout laat zien, een wat mij betreft erg geslaagde roman, een erg eigen roman, al valt er genoeg af te dingen op Eldert Haman.

 

Onrust

Er is van alles aan het schuiven. Afgelopen week heb ik mijn studiereis naar Engeland omgeboekt. Vanwege een aangelegenheid in mijn familie ga ik een maand later. Dat omboeken zelf stelde niet veel voor, het bestond vooral uit lang luisteren naar vreselijke wachtmuziek – laat ze daar een keuzemenu voor bedenken – en speuren op websites naar alternatieve slaapplaatsen. Het was de meest concrete, en meest beheersbare verschuiving.

Mijn trip naar Baskenland heeft me veel opgeleverd, meer zelfs dan waarvoor ik was gegaan. Uiteraard weer praktische zaken: ik weet van sommige locaties nu precies waar ze zijn, hoe ze eruit zien; ik heb een veel betere voorstelling bij Baskische beeldende kunst uit de tweede helft van de twintigste eeuw; op mijn werkkamer ligt een stapel documentatie waar ik naar hartelust mijn nieuwsgierigheid op kan botvieren.

Maar ik kwam ook terug met een schuivende roman. Ik dacht voor vertrek een aardig beeld te hebben van hoe een voltooide Ochtend op Denmark Hill zou zijn; bij terugkeer wist ik het niet meer zo zeker. De verhaallijn wel, die zal niet veel veranderen, maar de vorm kantelt, en daarmee de stijl, de toon, en onvermijdelijk dus ook wat ik wil zeggen met het boek.

Nu alleen nog uitvinden hoe die vorm precies kantelt. Mijn manier om dat te ontdekken, is uitproberen. Werkt een scène of hoofdstuk beter op manier A of manier B? Daar was ik net mee bezig, toen mijn redacteur vroeg of ik kon meedenken over een aanbiedingstekst voor de brochure en of ik ideeën had voor een omslag – januari 2018 is al best snel. Een week eerder had ik daar een kort en helder antwoord op kunnen geven, en volgende week denk ik ook wel weer, maar nu volgde een tamelijk knullig klinkend gestamel waarin al mijn twijfels en ideeën over elkaar struikelden.

Natuurlijk is dit goed, zo’n crisis. Creatieve onrust is het, en Ochtend op Denmark Hill zal er alleen beter van worden. Ik verwelkom het dus, en neem de stress voor lief. Dat was waarom je afgelopen weken niks van me hoorde. Ik had bedacht dit blog op een laag pitje te zetten, terwijl ik me concentreerde op het grote werk. Maar dat werkt niet, ik miste het. Ik ga slechter schrijven als ik niet af en toe dit doe. Je zult me dus misschien wat onregelmatiger hier zien de komende tijd, maar verdwijnen zal ik niet. En volgende keer heb ik het weer over een boek van een ander.