Tagarchief: Niña Weijers

Verlangen naar het ongrijpbare

Over De consequenties van Niña Weijers

Wat is het bijzondere van dit boek? De trefzekere stijl? De ironische distantie die me in deze roman niet tegenstaat, omdat ik wel in Minnie Panis geloof?

Ik denk dat het vooral het ‘transcendente’ is, for want of a better word, de manier waarop de verschillende verhaallijnen in de tekst een betekenis oproepen die ik wel voel, maar niet gemakkelijk kan grijpen.

De structuur is vrij eenvoudig: het eerste deel, in het heden, gaat over kunstenares Panis, haar fotograaf en hun project; het tweede deel, in het verleden, gaat over Panis’ geboorte, haar moeder en de arts Johnstone, om aan het eind van het tweede deel terug te keren naar het heden, als Panis en Johnstone elkaar opnieuw ontmoeten. De twee delen worden gescheiden door een tekst over de kunstenaar Bas Jan Ader.

Ik dacht al snel te weten waar het boek naartoe ging, maar nee, in het tweede deel worden de vragen – althans voor mij – juist groter. Wat is het verband tussen Panis’ niet-huilen als baby en de kunst die ze maakt? Wat is het verband met Bas Jan Ader? Zijn deze verhalen alleen een verheerlijking van het verdwijnen? Onderstrepen ze dat leven en kunst voor Panis niet scheidbaar zijn? Maar aan het eind maakt ze een andere keuze dan Bas Jan Ader, überhaupt heeft ze – in tegenstelling tot hem – een keuze. En de rol van Johnstone? In welke mate is Minnie Panis zijn project?

Weijers lost niks op, biedt geen uitweg. En het komt niet gekunsteld over. Gaandeweg het boek wordt het mysterie groter, in plaats van dat een oplossing dichterbij komt. Een boek om als een gedicht over je heen te laten komen. Of als een droom, om Bret Easton Ellis te citeren: ‘a novel should be like a dream’ (Lunar Park). Wat dat betreft heeft De consequenties ook wat weg van het nog opzichtiger geconstrueerde Paradijs Verloren van Cees Nooteboom – een schrijver die Weijers hoog heeft zitten.

Hoe zou dit boek zijn zonder het essay over Bas Jan Ader? Of als dat stuk meer verklaarbaar in de tekst was gebed? Weijers had bijvoorbeeld een van de personages over hem kunnen laten schrijven – de ex van Panis is al jaren bezig met een proefschrift over de kunstenaar. Maar dat zou voorspelbaarder zijn en minder aan het karakter van het boek bijdragen. Nu stel ik me er vragen over. Ook over de inhoud van die passage. Je zou dit deel van de tekst kunnen lezen als een duiding over hoe je Panis’ verhaal moet interpreteren, maar het past niet één op één.

Zo geeft Weijers je genoeg om over na te denken. Welke betekenis moeten we hechten aan het citaat: ‘het enige wat de vis hoeft te doen is zich verliezen in het water,’ dat een paar keer in het boek voorkomt? En aan de instortende brug, met zijn ondergang al ingebouwd in de fouten in zijn ontwerp? De consequenties… Ik kan bij alles wat bedenken, wil dat blijkbaar ook graag, en krijg het niet zomaar.

Dertien vraagtekens in dit bericht. Dit boek lost geen mysteries op, het creëert ze. Een wereld vol bevredigende onrust.

 

PS: Hoe ik hier lees, en in een eerder bericht over Hermans’ Nooit meer slapen, noemt Weijers ‘scheppend lezen’. Ze schreef erover in de Groene Amsterdammer: De evangelist.

De aardige vrouw met de koffie is net even weg

Nooit meer slapen van W. F. Hermans

Mijn grootste vrees, en van vele schrijvers met mij vermoed ik, is dat wat ik schrijf saai is. Ik ben niet bang om over saaie mensen te schrijven, of om een verhaal te vertellen waarin vrijwel niets gebeurt, waarin misschien zelfs geen verhaal aanwezig is – ik bedoel de angst dat je tekst saai is om te lézen.

Wat je nodig hebt is conflict, hoe klein ook, en een boek dat er bol van staat is Hermans’ Nooit meer slapen. Alfred Issendorf onderneemt een tamelijk amateuristische wetenschappelijke expeditie, meer gedreven door eerzucht dan belangstelling, en werkelijk alles zit hem tegen. Dat geldt niet alleen op grote schaal – de mensen die hem kunnen helpen door hem de juiste luchtfoto’s te geven, doen het niet, uit onwil of door onbenul, en de ontdekking die hij hoopte te doen wordt door een ander gedaan. Het geldt juist ook op kleine schaal, in elke handeling, elke ogenschijnlijk onbeduidende interactie. Meer dan het overkoepelende melodrama, is het deze continue wrijving die de tekst zijn oorspronkelijkheid geeft, die de identiteit van het boek vormt.

‘De portier is een invalide,’ begint Hermans, en niet alleen is de man fysiek niet goed in staat om Issendorf te helpen – hij kan zijn aanbevelingsbrief niet lezen – hij lijkt er ook helemaal geen zin in te hebben. Dit is de meest behulpzame mededeling die Issendorf uit de portier weet los te krijgen: ‘Het is mogelijk dat professor Nummedal op zijn kamer is.’ We zijn dan anderhalve pagina verder.

Achter deze ontvangstbalie had Hermans ook een aardige jonge vrouw kunnen plaatsen die koffie voor Issendorf haalde. Maar Alfred Issendorf is geen personage dat aardige jonge vrouwen tegenkomt die koffie voor hem halen. Als hij komt opdagen zal het universum altijd zo tegen hem samenspannen dat de aardige vrouw met de koffie net even weg is.

Zo’n keuze, in dit geval voor het soort poortwachter, is één manier om voor wrijving te zorgen, ín een tekst. Er zijn ook teksten die een conflict creëren met de lezer. Een boek dat de lezer – in elk geval deze lezer – uitdaagt door een mysterie groter te maken, is Niña Weijers De consequenties. Daarover binnenkort meer.