Tagarchief: literatuur

Winteroogst

 

Dit is mijn eerste bericht sinds oktober. Ik was bezig Ochtend op Denmark Hill af te ronden en kon blijkbaar de afleiding van dit blog daar niet bij gebruiken. Nu ligt Ochtend op Denmark Hill in de winkel en trekt deze site aan me, als een vriend of familielid dat lang genoeg aan de kant heeft gestaan en nu weer de aandacht opeist die hem toekomt.

Dat ik hier niks heb geschreven, betekent niet dat ik in die maanden niks heb gelezen. Twee boeken zijn als dromen in de mist blijven hangen, flarden die ik half geconcentreerd tot mij heb genomen terwijl ik schreef aan Ochtend, het einde van de roman herzag, het begin herzag, nog een keer het begin herzag.

Het eerste boek is Robert Seethalers Ein ganzes Leben. Ik las het in het Duits, wilde dat weer eens proberen omdat ik nu eenmaal van talen hou – jaren gaf ik les in Engels, Nederlands als tweede taal, taalbeheersing. Ein ganzes Leben speelt zich af in Oostenrijk, grotendeels voor de Tweede Wereldoorlog, en gaat over een man die kabelbanen bouwt. Ik moest woorden als ‘Ochsenstange‘ (een dwarshout in een stal waar je vee aan vast kunt binden) opzoeken, maar dat was niet de enige reden waarom ik maar moeilijk in het verhaal kon afdalen. Dat verhaal vertelt het leven van Andreas Egger, van geboorte tot dood, met als breekpunt het verlies van zijn geliefde, waarna de noeste arbeider Egger stug en betrekkelijk minzaam doorleeft. Het boek is gewild eenvoudig, gaat over een eenvoudige man en wil maar al te graag het gewicht van zo’n eenvoudig leven laten voelen, zo zeer dat de zinnen zelf er zwaar van worden: ‘Sein Leben lang dachte Andreas Egger immer wieder an diesen Augenblick zurück, an dieses kurze Lächeln an jenem Nachmittag vor dem leise prasselnden Wirtshaushofen.‘ Je zult het weten ook, dat dit een belangrijk moment was voor Egger, het mocht je eens ontgaan zijn.

Het was me allemaal teveel, te veel gewild, te veel een kunstje, met een suggestie van diepgang die het werk in mijn ogen niet waarmaakt. En dat is zonde, want diepgang is niet verplicht. Maar als het er zo vanaf druipt dat je iets betekenisvols wilt zeggen, moet dat er wel inzitten. Nu houd je edelkitsch over. Het was geen straf om dit boek te lezen, maar mijn interesse in het overige werk van Seethaler heeft het niet gewekt.

Hoe anders was dat bij Dubravka Ugresic’ De Vos. De onderwerpkeuze in dat boek is weliswaar meer high brow dan in Ein ganzes Leben, toch vind ik De Vos minder pretentieus. Het is een boek waarvan ik me al vrij snel afvroeg wat ik aan het lezen was. Op het omslag staat roman, en toen ik het boek uit had begreep ik ook waarom, maar het begint in feite met een essay over een tamelijk obscure Russische schrijver. Ik heb opgezocht of deze persoon überhaupt bestaan heeft. Dat doet er natuurlijk niet echt toe, zei ik tegen mezelf, maar omdat Ugresic zo achteloos overpeinzingen en herinneringen eruit lijkt te gooien, vroeg ik me toch af hoe feitelijk het boek was.

Eerst dacht ik dat dit vooral voortkwam uit een kinderlijk verlangen om te weten wat echt was en wat niet, een soort primaire behoefte om de werkelijkheid te scheiden van de verdichting. Maar mijn verlangen gaat verder, het zogenaamde waarheidsgehalte interesseert me eerlijk gezegd weinig, al is het maar omdat je bij een roman die waarheid beter in de geest van het boek kunt zoeken dan in de vermelde feiten.

In het midden van de roman heeft de vertelster, een schrijfster van middelbare leeftijd, een buitenhuisje geërfd in haar geboorteland Kroatië. Ze treft er een kraker aan, een voormalig rechter die nu mijnen opruimt die zijn overgebleven na de laatste Balkan-oorlog. Ik ben dan vooral benieuwd hoe Ugresic zoiets doet. Heeft ze ooit zo’n huisje gehad? Kent ze een oud-rechter? Wie ruimt er nu die mijnen op, als dat al gebeurt? Wat doet het ertoe zou je zeggen, en dan heb je gelijk, het doet er net zo weinig toe als de vraag of Ugresic’ echt een lezing heeft gegeven op een dure privéschool in Italië en of de studenten daar echt de antwoorden op haar vragen gaven die in De Vos staan.

Het niet toevallig dat ik mezelf vragen stel over hoe dit verhaal is ontstaan. Ugresic stelt hem zelf in algemene zin aan het begin van de roman: waar komen verhalen vandaan? En daarmee lijkt het hele boek een met voorbeelden onderbouwd betoog waarvan het standpunt nooit wordt geëxpliciteerd. Lijkt, want misschien is er niets waar van die voorbeelden. Zelfs als ze zijn ontsproten aan de werkelijkheid, ze zijn verdicht, de werkelijkheid is rommelig en De Vos is zorgvuldig geconstrueerd. En is dat niet de essentie van literatuur, die verdichting, die laag tussen ons en de werkelijkheid waarin we de wereld kunnen vastpakken en temmen en ordenen op zo’n manier dat we er iets zinnigs mee kunnen?

Haar verhaal?

Ik ben A Sport and a Pastime van James Salter aan het lezen en beleef er weinig plezier aan. Niet dat ik vind dat het lezen van romans alleen maar een gemakkelijke of bevestigende ervaring moet zijn, eerder het omgekeerde. Verontrustende boeken als Disgrace van Coetzee of Reis naar het einde van de nacht van Céline, heb ik met plezier gelezen, juist omdat zo’n boek mijn wereld een beetje uit het lood slaat, op een zere plek drukt, me iets laat zien.

A Sport and a Pastime vind ik gewoon saai. Salter wordt regelmatig geroemd om zijn formuleringen en de krachtige manier waarop hij een sfeer oproept. Dat zie ik ook, en dat maakt dat ik A Sport and a Pastime zal uitlezen.

Hier is een voorbeeld, over een jonge ober die verliefd is, maar niks durft te ondernemen (en natuurlijk over de verteller zelf): ‘But the young waiter, how well I know him. He saves his money. His clothes are neat. He walks quietly through town, his eyes lowered. Sometimes at night he stands in the crowd. He sees her smile and his heart falls out of him.‘ Op zich sterke details waarmee hij deze jongen schetst, maar dat laatste hoofdzinnetje vind ik geschmier. Het is te zwaar aangezet. Als stilist wordt Salter wel vergeleken met Hemingway, maar ik prefereer het origineel.

A Sport and a Pastime gaat over een jonge Amerikaan die een seksuele relatie heeft met een nog jongere Française. Ze rijden rond in een dure auto die hij heeft geleend en hebben seks in hotelkamers. Dat alles wordt verteld door een vriend van de Amerikaan, die in het midden laat of hij het hele verhaal verzint.

De lezer beleeft de relatie uit het perspectief van de man en het probleem is dat ik dat verhaal veel te goed ken. Het verlangen om vrij rond te toeren met een vrouw met wie je de hele tijd seks hebt; het fantaseren over wat je allemaal met haar zou willen doen; het uitproberen van wat je hebt bedacht. Het is cliché gestapeld op cliché. Zelfs vergeleken bij mijn eigen weinig spectulaire jongemannenjaren, is het bestaan van deze jonge Amerikaan saai.

Ongetwijfeld heeft Salter hem bewust plat gehouden, hij is de plaatsvervanger van de verteller (die het zelf niet met een vrouw durft aan te leggen) en het equivalent van de anonieme pik in een pornofilm. (Er wordt veel seks beschreven in het boek. Gelukkig is Salter zo verstandig dat kort en to the point te doen.)

Met alleen platte personages krijg je een saai verhaal. De Française krijgt in het boek nog minder ruimte, en wat je van haar krijgt, komt via twee mannen, haar Amerikaanse minnaar en diens vriend (nog los van de auteur zelf). Wat drijft haar? Ze weet dat dit een eindige relatie is, maar dat wil ze niet. Ook lijkt ze niet bepaald overdonderd door de charmes van haar minnaar. What’s in it for her? Wat wil ze, waardoor wordt ze gedreven? Ik had meer plezier beleefd aan het lezen van haar verhaal.

Comfort literature

Soms vraag ik me af waar ik het voor doe. Niet het schrijven zelf, romans schrijf ik omdat ik dat graag wil, daar heb ik me al lang geleden bij neergelegd, ook toen ze nog niet uitgegeven werden. Maar dat uitgeven – wat heeft een ander eraan om mijn verhalen te lezen? Wat doet nóg een roman ertoe tussen al die boeken die er al zijn?

Dodelijke gedachten natuurlijk, maar van twijfel, uitdaging en onzekerheid wordt het werk alleen maar beter. De dag dat ik iets doe waarvan ik van tevoren zeker weet dat het me lukt en dat het een succes wordt, is de dag dat ik in mijn graf lig.

Meestal bekruipen die vragen over de zin van literatuur me als de wereld op zijn kop staat. Wat doet literatuur ertoe als er mensen verdrinken op zoek naar een beter bestaan, als er mensen gedood worden bij aanslagen of bombardementen, als wereldleiders alleen aan zichzelf denken en niet aan de wereld? Niets, schreef ik daarover op dit blog, en Literair weerwoord. Zonder kunst geen menselijkheid. Zo formuleerde ik voor mezelf een algemeen en wat abstract antwoord.

En dan krijg je ineens van een ander een veel persoonlijker en misschien veel beter antwoord. Troost. Niet de troost van oplossingen voor problemen, niet de troost van een betere wereld, maar de troost van een arm om je heen, van een deken op de bank, van een bord van je lekkerste eten. Degene die me dit liet zien, zat dagen achtereen verstopt in Donna Tartts The Goldfinch. Weg van verlies, weg van verdriet, al is het maar gedurende een aantal bladzijden. En The Goldfinch heeft er 864, een flinke bak troost.

Het is vast niet de enige reden waarom ik mijn romans de wereld in wil hebben, maar het idee dat er ergens lezers zullen zijn die zo in mijn verhaal kunnen kruipen, is een erg prettige gedachte.

Algoritmen

Onlangs plaatste ik een filmpje waarin drie algoritmen werden uitgelegd op Facebook. Het filmpje werd door verschillende boekenliefhebbers geliket, lezers, schrijvers, uitgevers. Onderwerp was hoe je je boekenkast het snelst op alfabet kunt sorteren.

Ik moet aan dit filmpje denken nu er de laatste tijd van alles gezegd en geschreven is over de combinatie van algoritmen en kunst, waaronder literatuur. Daarbij lijken doemscenario’s populair. Zo stond er afgelopen weekend  een stuk van twee pagina’s in de Volkskrant over het produceren van muziek, litaratuur of andere kunst met behulp van algoritmen, en of dat niet het einde van die kunstvormen zou betekenen. Daarnaast speelde het gebruik van algoritmen een rol in twee discussies in grote uitgeefconcerns, bij WPG (o.a. Bezige Bij) en, meer indirect, bij Bookchoice, een site voor e-bookabonnementen, als investeerder in VBK (o.a. Ambo|Anthos en AtlasContact)

Laat ik maar meteen bekennen dat ik zojuist ‘wat is een algoritme?’ gegoogeld heb – een aanrader voor iedereen die iets wil stellen over de toepassing ervan in de kunsten, waaronder literaire fictie.

Een algoritme is een eindige reeks instructies, leidend tot een bepaald resultaat. Het standaardvoorbeeld is een recept: weeg af, snijd, kook, voeg toe enz. Met zulke algoritmen kun je computerprogramma’s maken, in feite lange en complexe reeksen instructies die met ingevoerde data aan de slag gaan.

Een voorbeeld van een toegepast algoritme dat ik momenteel gebruik bij het schrijven: de zoek-en-vervangfunctie in Word. Ik heb net mijn manuscript doorgelezen, bedacht dat ik een bepaald woord teveel gebruik en dat ik een bepaalde plaatsnaam wil veranderen. Ik kan natuurlijk de tekst pagina voor pagina doorlezen en dat woord en die naam aanpassen, maar zoek-en-vervang is veel handiger.

Dit is een voorbeeld waar niemand bezwaren tegen zal hebben (en tegen de spellchecker evenmin vermoed ik). Maar hoe zit het met complexere algoritmen, die een hele tekst zouden kunnen wijzigen of zelfs produceren? Bij muziek lukt het al heel aardig om iets te produceren in een bepaalde stijl. Maar is dat kunst?

Dat kan het wel zijn, als een kunstenaar er gebruik van maakt. Dit antwoord klinkt een beetje flauw, maar het raakt wel de essentie: om kunst te maken, heb je een wil nodig (en je mag het ook inspiratie noemen, idee, noodzaak, drang, kies maar een woord). Algoritmen hebben geen wil, ze worden gemaakt door iemand met een wil. En computerprogramma’s hebben ook geen wil. Mochten ze die ooit krijgen trouwens, dan zal ik ze als mijn gelijke behandelen, want wie een wil heeft, heeft verlangens, en wie verlangens heeft, is een mens.

Ik vind het wel interessant wat een schrijver, dichter of muzikant met nieuwe, complexe algoritmen zou kunnen doen. We kennen de ready mades, er komt ongetwijfeld iemand met computer mades – maar die blijven een product van de creatieve geest van de dichter, net zoals de muziek van Karlheinz Stockhausen een product is van zijn creatieve geest en niet van een synthesizer. Er zullen vast nostalgische romantici zijn die zulke experimenten als een verlies zien, maar niet iedereen hoeft van dezelfde kunst te houden. Over een gesprek met een bezoeker na een uitvoering van Samstag vertelde Stockhausen dat de man hem vroeg hoe bepaalde geluiden werden gemaakt. ‘Met generators en synthesizers,’ zei Stockhausen. ‘Wat?! Dan hebben we geen orkest meer nodig,’ antwoordde de man, en Stockhausen zag hem het auditorium uit stormen, ‘alsof hij van binnen was gestorven, in zijn geest.’

Kortom, algoritmen om mee te schrijven, mogelijk interessant voor de meer avant-gardistische, conceptueel ingestelde schrijvers onder ons, die graag met vorm experimenteren – wie wordt de Stockhausen van de Nederlandse literatuur?

Blijft over het gebruik van big data en algoritmen om boeken te verkopen. Dat moeten we even in tweeën splitsen:

  1. Je kunt algoritmen gebruiken om aan de hand van data te bepalen welke lezers welke boeken interessant zouden kunnen vinden, net zoals online winkels van Amazon tot Zalando dat al doen. Ook kun je zo het aanbod in een abonnementendienst meer op de lezer afstemmen. Zolang deze ‘nieuwe’ verkooptechnieken niet ten koste gaan van de traditionele, kortom als de belangen van lezers en auteurs ermee gediend zijn, is er volgens mij niks mis mee.
  2.  Je kunt proberen algoritmen, of eigenlijk computerprogramma’s, tot redacteur te bombarderen en te laten voorspellen hoe een boek het zal doen. Als je dat helemaal uitbesteedt aan een computerprogramma krijg je misschien wel een rendabel fonds, maar ook een heel erg run-of-the-millfonds, en waarom zou je dat willen? Eigenlijk zie ik deze kwestie meer als een probleem van redacteuren en uitgeverijen, dan van schrijvers, in elk geval van de schrijvers die iets willen maken omdat ze die wil hebben, omdat ze kunst produceren – die doen nu immers ook geen aanpassingen aan hun tekst omdat die dan misschien beter zou verkopen. De vraag is dus niet zozeer: wil je zo’n algoritme gebruiken? maar: wat voor boeken wil je uitgeven? Kunst of kitsch?

Algoritmen zullen de kunst niet verpesten – daar is de kunstenaar zelf nog altijd de baas, en dat zal altijd zo blijven. De verkoop zullen ze mogelijk verbeteren. Toch fijn, want kunstenaars willen ook eten. Ik blijf deze ontwikkelingen met interesse volgen en ben maar snel lid geworden van de auteursbond, want als er meer verkocht wordt, wil ik straks wel een eerlijk deel van de poet.

Drie keer afstand

Op Camberwell Green besefte ik zeventien jaar geleden dat maar weinig mensen die in Londen wonen, er ook echt vandaan komen, en dat dat een belangrijke reden was waarom ik me er zo op mijn gemak voelde. Veel inwoners van Londen zijn ernaartoe verhuisd, vaak uit een ander land. En van degenen die er geboren zijn, heeft een groot deel ouders of grootouders die ernaartoe verhuisd zijn. Je kunt de statistieken erop naslaan, maar voor mij telde het straatbeeld: daar op Camberwell Green, bij de bushalte van lijn 36, zag ik dat niemand daar thuishoorde, en dat dus iedereen er thuishoorde, ook ik.

Eigenlijk kom ik nergens vandaan, niet helemaal in elk geval. Curaçao niet, Limburg niet, en Groningen: ik ben er wel geboren, maar is dat hetzelfde als er vandaan komen? (Pas nu ik dit opschrijf, realiseer ik me hoe anders dat voor mijn ouders is. Mijn moeders familie gaat generaties terug op Curaçao, die van mijn vader generaties in Limburg. Eeuwen, in beide gevallen. Zij komen wel ergens vandaan, al wonen ze er niet meer.)

Ik vond het prettig, de afstand tussen mij en plaatsen van herkomst, zowel mijn eigen plaatsen van herkomst, als die van de anderen. En ik voelde me thuis in dit level playing field, waar eigenlijk niemand een sterkere claim had op de omgeving dan een ander. Bovenal voelde ik me bevrijd, ik was op een plek waar niemand mij kende, waar ik een toekomst bij elkaar kon fantaseren zoals ik hem wilde, en indien nodig nog een verleden ook.

Zes weken geleden was ik er weer, en maakte de foto hierboven. Inmiddels heb ik mijn thuis gebouwd, maar de afstand werkte nog steeds bevrijdend. Zowel op mijn eerdere trip naar Sanje, als op deze naar Engeland, bezocht ik plekken waar ik vroeger gewoond heb. Dat had vooral praktische redenen, ik onderzocht locaties voor mijn nieuwe roman, Ochtend op Denmark Hill. Wat ik vooraf niet had bedacht, maar wat misschien wel meer heeft opgeleverd, is dat ik door deze trips loskwam van mijn eigen verhaal. De beelden die je hebt verzameld in een leven, van plaatsen, gebeurtenissen, personen, vind ik meestal handig bij het schrijven, maar ze kunnen ook in de weg staan. Soms willen ze je dwingen om je aan de feiten te houden, alsof ze je meezuigen in de vorm waarin ze zich ooit gemanifesteerd hebben. Nu was het alsof ik oude dozen opruimde. Weg met de schoolschriftjes, de brieven en kaartjes, de verzamelde zooi van een leven – alle ruimte voor de verbeelding.

Over een paar weken stuur ik het manuscript van Ochtend op Denmark Hill aan mijn redacteur. Dat wordt de eerste keer dat zij de hele tekst ziet, en ook de eerste keer dat ik hem helemaal zie, want ik moet nog een paar hoofdstukken afmaken. Daarna is nog alle tijd voor aanpassingen (ik weet er al een aantal…) maar ik moet nu wel haast maken om die eerste versie volledig te hebben.

En daarin kun je doorschieten – ik ben vast niet de enige. Opgeslokt door de tekst, en nu vooral door het handelingsverloop – wat wil ik nog vertellen – kun je ook die tekst zelf vergeten. Want uiteindelijk is dat natuurlijk wat je maakt: een tekst. Een verzameling woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken. En toen ik laatst teruglas wat ik had geschreven terwijl ik zo werd meegesleept, zag ik wat ik vergeten was. Een zekere afstand tussen jezelf en de tekst is nodig, niet altijd, je moet je ook kunnen laten verassen, kunnen ontdekken, maar je moet met professionele distantie blijven kijken, en af en toe genadeloos op de deleteknop drukken. Om daarna de scène te schrijven zoals die wel moet zijn, in één roesvolle, trefzekere dag.

 

 

Grauw Brooklyn

Ik werd niet meteen gegrepen door Bernard Malamuds The Assistant, wat vooral kwam omdat ik net daarvoor Pictures of Fidelman had gelezen. The Assistant is een lijvige roman over winkeliers die speelt in een grauwe, arme wijk van Brooklyn; Pictures of Fidelman is een bundel van zes verhalen over de mislukte schilder Fidelman in Italië.

Malamud bouwt The Assistant zorgvuldig op voordat hij alles laat instorten – en het boek eindigt niet eens helemaal zonder hoop, al kun je je afvragen of volharding grenzend aan masochisme echt hoopvol is. Maar toch, aan het eind had ik het idee dat de uitkomst van het drama de hoofdpersoon, Frankie Alpine, iets oplevert.

Die Frankie is een Italiaanse slapjanus die met de verkeerde vrienden rondhangt en geen ‘discipline’ heeft. Hij overvalt Morris Bober, Joodse winkelier met een armetierige zaak en gaat daarna, uit een soort onduidelijk schuldgevoel, gratis voor hem werken. Ondertussen steelt hij geld uit de kas, maar zit daar ook mee – Frankie is iemand die een geweten achter zich aan sleept, schrijft Malamud. Malamud laat dit onnadrukkelijk zien, hij noemt het, laat zien wat Frankie doet en denkt en dat is het, geen geproblematiseer, dat mag de lezer zelf doen.

Frankie wordt verliefd op Helen, de dochter van de winkelier en degene die hem vertelt dat ‘discipline’ goed is, een idee dat hem bevalt. De liefde is wederzijds. Dan komen twee verhaallijnen bij elkaar, of eigenlijk drie: Morris stuurt Frankie weg als hij hem ziet stelen; Frankies foute vriend Ward (zijn mede-overvaller) randt Helen aan als ze in het park op Frankie wacht; Frankie, dronken, slaat Ward van Helen af en verkracht haar – die term komt in het boek niet voor, maar hij dwingt haar seks met hem te hebben en dan is alles natuurlijk voorbij.

Alleen wordt Morris ziek en kan Frankie toch blijven. Eigenlijk maakt hij zichzelf tot deel van het interieur, doet wat moet, wat goed is, wat onontkoombaar is, wat in elk geval het enige is dat geen weglopen is. En hij wordt jood, nadat Moris gestorven is.

Gedurende het hele verhaal wordt erop gewezen dat hij niet in de ‘grocery business‘ moet gaan, en wordt duidelijk hoe klote het is, in elk geval in de financiële zin, om een arme Jood in Brooklyn te zijn. Toch lijkt Malamud te zeggen dat Frankie uiteindelijk – iets – beter af is als arme joodse winkelier, dan als slapjanus zonder discipline.

Voor wie The Assistant nog wil lezen en bang is dat ik nu teveel heb verteld over dit boek: niet nodig. The Assistant is veel meer dan het plot. Malamud is een meester in wat ik maar sfeer noem, maar het is meer dan dat, het is een verhaal een gevoel van plaats geven, een eigen kleur, een sensibiliteit die voorbij de handeling gaat. En uiteindelijk bekoorde het grauwe realisme van armeluis Brooklyn me net zozeer als het exotisme van de Italiaanse setting van Pictures of Fidelman.

 

Uitstapje

Ineens had ik een boek van John le Carré gekocht, The Russia House. Of nou, niet helemaal ineens, maar ik zat zonder boeken in mijn hotelkamer in Londen. Ik had niks te lezen meegenomen, om mijn eigen boek niet in de weg te zitten, ik was tenslotte in Engeland om zaken uit te zoeken voor Ochtend op Denmark Hill. Maar na al dat gesjouw – ik heb zo’n 80 kilometer te voet afgelegd in die dagen in Engeland – wilde ik ’s avonds toch wel een beetje relaxen. De televisie werkte niet, dat wil zeggen, hij deed het wel, maar alleen op één kanaal dat om onduidelijke redenen continu herhalingen van Top Gear uitzond – kortom, ik moest een boek.

Het werden er twee, ze geven ze zo’n beetje weg: ‘O yeah, they’re fiction books, they’re half price‘. Tsja, ik heb me er inmiddels maar bij neergelegd dat ik me bezighoud met een nauwelijks gewaardeerde kunstvorm.

Maar The Russia House dus. Ik moet zeggen dat ik prettig verrast was. Ik heb ook weleens iets van Dan Brown gelezen bijvoorbeeld, maar je moet wel echt héél graag willen weten wat er verder gebeurt om je voor je plezier door dat kantoorproza heen te sleuren.

Le Carré besteedt wel aandacht aan zijn formuleringen, en ook aan de vorm van zijn roman. The Russia House gaat over een wat verlopen Engelse uitgever, die betrokken raakt bij een spionagezaak en verliefd wordt op een Russische tussenpersoon. Uiteindelijk kiest hij de liefde voor deze dame boven de trouw aan zijn vaderland, en dat ik dit zo kan opschrijven zonder dat ik daarmee teveel weggeef, is een pluspunt van dit boek. De verteller – in het grootste deel van de tekst – is een advocaat die voor de Britse geheime dienst werkt en die de hoofdpersoon van een afstand gadeslaat. Zo’n constructie wekt bij mij meer interesse op dan een alwetend of personaal perspectief. Ik zou mezelf echter niet zijn, als ik niet ook meer had gewild van dat vertellend personage. Nu wordt zijn geesteswereld wel enigszins geduid, maar zijn twijfels over het werk dat hij doet, zijn opvatting over de hoofdpersoon, de gemiste mogelijkheden in zijn leven: ze hadden wat meer ruimte mogen krijgen en meer mogen schuren.

Ik schreef in de eerste zin van de alinea hierboven: ‘…en ook aan de vorm van zij roman,’ en vroeg me zojuist af of ik niet ‘thriller’ of ‘spionageroman’ of zo had moeten schrijven. Maar dat is natuurlijk onzin, en dat is ook verfrissend aan de Angelsaksiche blik op literatuur: goede fictie is goede fictie, en daarvan krijg je er twee voor de prijs van één.