Tagarchief: De straat van de donkere winkels

Quantumpersonages

Is iemand ooit maar één mens? Of bestaat ons leven uit verschillende varianten, zijn we een palet aan mogelijke versies van onszelf? In De straat van de donkere winkels stelt Modiano deze vragen. Niet expliciet, maar het scheelt niet veel. Alleen al het gegeven waar het verhaal mee begint: de verteller is zijn geheugen kwijt. Hoe cliché wil je het hebben? En dan doet Modiano er nog een schep bovenop door van die verteller een privé-detective te maken. Een speurneus met amnesie, het ligt er dik bovenop en toch, het werkt, ik werd de roman ingezogen, meteen vanaf de openingszinnen: ‘Ik ben niets. Niets dan een lichte gestalte die avond, op het terras van een café.’

Wat volgt is de zoektocht van de verteller naar mensen die iets van zijn verleden zouden kunnen weten. Verschillende keren denkt hij ontdekt te hebben wie hij is, maar elke keer heeft hij een van zijn oude kennissen geïdentificeerd, en niet zichzelf. Op een gegeven moment lijkt het erop dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Frankrijk is gevlucht, zonder dat duidelijk wordt waarom. Was hij Joods (net als Modiano zelf)? Had hij iets met het verzet te maken?

Tegen het einde van de roman komen er herinneringen terug, aan die vlucht, aan zijn vriendin die toen verdwenen is. Echte antwoorden vindt hij niet, ook niet als hij een vriend uit zijn verleden opspoort in de Stille Zuidzee – tegen de tijd dat de verteller op het eiland aankomt, is de vriend verdwenen. De roman eindigt op dat eiland, met het voornemen van de verteller om naar zijn laatste adres te gaan dat hij zich nog herinnert, in de straat van de donkere winkels, zonder te weten wat hij daar over zichzelf zal aantreffen.

Modiano schuwt het romantische niet, maar geeft alle ruimte aan verschoppelingen, excentriekelingen, figuren die in elk geval buiten het alledaagse burgerlijke leven staan. ‘Vreemde mensen,’ zegt de verteller wanneer hij denkt aan de personen met wie hij vroeger waarschijnlijk omging, en van wie hij er zelf een was, ‘van het soort dat in het voorbijgaan niet meer dan een snel vervluchtigende, lichte wasem achterlaat…wezens, wier sporen niet meer zijn na te gaan. Op een mooie dag duiken ze uit het niets op en ze keren erin terug na even kort geschitterd te hebben. Schoonheidskoninginnen. Gigolo’s. Vlinders. De meesten van hen bezaten zelfs tijdens hun leven niet meer dichtheid dan een nevel die nooit zal condenseren.’

En de verteller? Volgens mij komt hij het dichtst bij zichzelf wanneer hij in het trappenhuis van een gebouw staat waar hij vroeger mogelijk heeft gewoond: ‘Ik geloof dat je in de portalen van huizen de echo’s van de voetstappen van hen die er geregeld door liepen en die later verdwenen zijn, nog kunt horen. Na hun doortocht blijft er iets trillen, golven die steeds zwakker worden, maar die je, wanneer je aandachtig luistert, nog kunt opvangen. Misschien was ik die Pedro McEvoy eigenlijk nooit geweest en was ik niets, maar gingen er golven door mij heen, soms ver verwijderde, maar soms ook sterkere, en langzamerhand kristalliseerden al die in de lucht zwevende, verspreide echo’s zich, en dat was ik.’

Hij is een verzameling verhalen, sommige misschien van zichzelf, andere zeker van hen die verdwenen zijn.