Categorie archief: wat ik lees

Chandler

Ik heb een verzamelband met de laatste romans van Raymond Chandler. Het is zo’n volume met ruim duizend dundrukpagina’s met kleine letters en een glanzend zwart stofomslag uit de Library of America-serie. Tijdens het redigeren van Ochtend op Denmark Hill las ik er drie romans achter elkaar uit: The lady in the lake, The long goodbye en Playback. Werk dat een eind van het mijne af staat, in thematiek, in verhaalvorm, in schrijfstijl. Tijdens het redigeren lees ik het liefst iets waarvan ik denk dat het me niet zal beïnvloeden in woordkeuze of zinsbouw of, nog erger, me laat denken: ‘zo’n boek had ik moeten schrijven!’ Gelukkig kwam dat laatste bij mijn tweede roman minder voor dan bij mijn eerste, en veel minder dan bij het niet-gepubliceerde werk daarvóór.

Wie de verfilming van The Big Sleep met Humphrey Bogart en Lauren Bacall niet heeft gezien, moet dat eens doen, alleen al om je erover te verbazen waarom er in hedendaagse grote Hollywoodproducties geen sterke vrouwenrollen meer voorkomen zoals die van Bacall. Maar het is vooral ook een erg goede film.

Dat in mijn hoofd de papieren Philip Marlowe uit de romans al snel de door Humphrey Bogart gespeelde versie verdrong, zegt veel over de kracht waarmee Chandler je zijn romans in weet te trekken. Ik wist wel dat ik zijn werk goed vond, sinds een vriendin me ooit The little sister leende, maar dat was al een tijd geleden en het was prettig dat die eerdere ervaring bevestigd werd.

Wat trekt me zo aan in deze romans over privé-detective Philip Marlowe? Of eigenlijk moet ik zeggen: romans over de verwikkelingen waarin Marlowe terecht komt, over het personage Marlowe gaan de romans juist vrijwel niet.

Om bij die verwikkelingen te beginnen: hoewel Chandler murder novels schrijft (een term waaraan hij in zijn essay ‘The simple art of murder‘ de voorkeur lijkt te geven boven detective stories), is het hem er allerminst om te doen een spelletje met de lezer te spelen. In zijn romans geen personages die om de beurt verdenkingen op zich laden en geen bovenmenselijke speurneus die je aan het einde vertelt of je het bij het juiste eind had.

Kern van de romans is de situatie waarin Marlowe verzeilt raakt en zijn zoektocht naar opheldering. We reizen mee in zijn gedachten, met zijn frustraties, angsten en (kleine) doorbraken; eigenlijk lijkt het best op het leven zelf.

Vooral in The long goodbye loopt van alles door elkaar, het is net zozeer een verhaal over vriendschap en trouw, en over liefde en een huwelijk, als een detectiveverhaal waarin een moord moet worden opgelost. Dat deel van de handeling begint zelfs pas als je al een goed eind op weg bent in het boek, en is bijna een secundaire verhaallijn. Start van The long goodbye is een onbaatzuchtige daad van Marlowe voor een toevallige voorbijganger. Daar blijken consequenties aan te zitten, en in wat volgt trekt de hele maatschappij voorbij.

Moord heeft sociologische implicaties schrijft Chandler in het hierboven aangehaalde essay en hij grijpt de mogelijkheden die een murder novel biedt om in de breedte de maatschappij in te duiken, met beide handen aan. Zijn personages komen uit alle walks of life, maar worden nergens plat of programmatisch. Ze hebben hun eigen verlangens, wanen en belangen, en lopen net zozeer tegen misverstand en pech aan als tegen moedwil en opzet.

Chandler idealiseert de wereld waarin we leven niet, en misschien daardoor veroordeelt hij ook zijn moordenaars niet. Uit de romans spreekt een soort betrokkenheid die mij achteraf wel wat deed denken aan een andere bekende schrijver van detectiveverhalen, Henning Mankell. Maar er is een groot verschil: bij Mankell is het maatschappelijke engagement veel directer en platter. Natuurlijk is er helemaal niks mis mee om sterke politieke overtuigingen te hebben, maar in de literatuur slaat het de boel dood. Je wilt de lezer aan het denken hebben, of nog beter, aan het voelen of beleven zonder dat hij of zij daar zelf teveel bij stilstaat. Zelfs als je een politicus met sterke opvattingen als hoofdpersoon hebt, moet je mijns inziens nog steeds, of zelfs juist, die ruimte aan de lezer bieden.

Chandler doet dat beter. Ook stilistisch, zijn zinnen zijn een plezier om te lezen, doeltreffend, bij vlagen poëtisch.

Hij schrijft gewoon goede romans, romans van een bepaald soort, zeker, waarbij het genre eisen stelt aan de vorm. Maar goede fictie is het, en goede literatuur ook, die niet alleen iets zegt over het plot en de personages maar ook wel degelijk over de wereld waarin wij leven, in de eerste plaats die van Los Angeles in het midden van de twintigste eeuw, maar Chandlers psychologische inzicht en maatschappelijke commentaar zijn universeel genoeg om ook ons, nu, hier, aan te spreken en daarmee toont hij zich een kunstenaar, een artist zoals de Amerikanen zouden zeggen, die geen genoegen neemt met enkel het schrijven van een verhaal dat voldoet aan de eisen van het genre.

Winteroogst

 

Dit is mijn eerste bericht sinds oktober. Ik was bezig Ochtend op Denmark Hill af te ronden en kon blijkbaar de afleiding van dit blog daar niet bij gebruiken. Nu ligt Ochtend op Denmark Hill in de winkel en trekt deze site aan me, als een vriend of familielid dat lang genoeg aan de kant heeft gestaan en nu weer de aandacht opeist die hem toekomt.

Dat ik hier niks heb geschreven, betekent niet dat ik in die maanden niks heb gelezen. Twee boeken zijn als dromen in de mist blijven hangen, flarden die ik half geconcentreerd tot mij heb genomen terwijl ik schreef aan Ochtend, het einde van de roman herzag, het begin herzag, nog een keer het begin herzag.

Het eerste boek is Robert Seethalers Ein ganzes Leben. Ik las het in het Duits, wilde dat weer eens proberen omdat ik nu eenmaal van talen hou – jaren gaf ik les in Engels, Nederlands als tweede taal, taalbeheersing. Ein ganzes Leben speelt zich af in Oostenrijk, grotendeels voor de Tweede Wereldoorlog, en gaat over een man die kabelbanen bouwt. Ik moest woorden als ‘Ochsenstange‘ (een dwarshout in een stal waar je vee aan vast kunt binden) opzoeken, maar dat was niet de enige reden waarom ik maar moeilijk in het verhaal kon afdalen. Dat verhaal vertelt het leven van Andreas Egger, van geboorte tot dood, met als breekpunt het verlies van zijn geliefde, waarna de noeste arbeider Egger stug en betrekkelijk minzaam doorleeft. Het boek is gewild eenvoudig, gaat over een eenvoudige man en wil maar al te graag het gewicht van zo’n eenvoudig leven laten voelen, zo zeer dat de zinnen zelf er zwaar van worden: ‘Sein Leben lang dachte Andreas Egger immer wieder an diesen Augenblick zurück, an dieses kurze Lächeln an jenem Nachmittag vor dem leise prasselnden Wirtshaushofen.‘ Je zult het weten ook, dat dit een belangrijk moment was voor Egger, het mocht je eens ontgaan zijn.

Het was me allemaal teveel, te veel gewild, te veel een kunstje, met een suggestie van diepgang die het werk in mijn ogen niet waarmaakt. En dat is zonde, want diepgang is niet verplicht. Maar als het er zo vanaf druipt dat je iets betekenisvols wilt zeggen, moet dat er wel inzitten. Nu houd je edelkitsch over. Het was geen straf om dit boek te lezen, maar mijn interesse in het overige werk van Seethaler heeft het niet gewekt.

Hoe anders was dat bij Dubravka Ugresic’ De Vos. De onderwerpkeuze in dat boek is weliswaar meer high brow dan in Ein ganzes Leben, toch vind ik De Vos minder pretentieus. Het is een boek waarvan ik me al vrij snel afvroeg wat ik aan het lezen was. Op het omslag staat roman, en toen ik het boek uit had begreep ik ook waarom, maar het begint in feite met een essay over een tamelijk obscure Russische schrijver. Ik heb opgezocht of deze persoon überhaupt bestaan heeft. Dat doet er natuurlijk niet echt toe, zei ik tegen mezelf, maar omdat Ugresic zo achteloos overpeinzingen en herinneringen eruit lijkt te gooien, vroeg ik me toch af hoe feitelijk het boek was.

Eerst dacht ik dat dit vooral voortkwam uit een kinderlijk verlangen om te weten wat echt was en wat niet, een soort primaire behoefte om de werkelijkheid te scheiden van de verdichting. Maar mijn verlangen gaat verder, het zogenaamde waarheidsgehalte interesseert me eerlijk gezegd weinig, al is het maar omdat je bij een roman die waarheid beter in de geest van het boek kunt zoeken dan in de vermelde feiten.

In het midden van de roman heeft de vertelster, een schrijfster van middelbare leeftijd, een buitenhuisje geërfd in haar geboorteland Kroatië. Ze treft er een kraker aan, een voormalig rechter die nu mijnen opruimt die zijn overgebleven na de laatste Balkan-oorlog. Ik ben dan vooral benieuwd hoe Ugresic zoiets doet. Heeft ze ooit zo’n huisje gehad? Kent ze een oud-rechter? Wie ruimt er nu die mijnen op, als dat al gebeurt? Wat doet het ertoe zou je zeggen, en dan heb je gelijk, het doet er net zo weinig toe als de vraag of Ugresic’ echt een lezing heeft gegeven op een dure privéschool in Italië en of de studenten daar echt de antwoorden op haar vragen gaven die in De Vos staan.

Het niet toevallig dat ik mezelf vragen stel over hoe dit verhaal is ontstaan. Ugresic stelt hem zelf in algemene zin aan het begin van de roman: waar komen verhalen vandaan? En daarmee lijkt het hele boek een met voorbeelden onderbouwd betoog waarvan het standpunt nooit wordt geëxpliciteerd. Lijkt, want misschien is er niets waar van die voorbeelden. Zelfs als ze zijn ontsproten aan de werkelijkheid, ze zijn verdicht, de werkelijkheid is rommelig en De Vos is zorgvuldig geconstrueerd. En is dat niet de essentie van literatuur, die verdichting, die laag tussen ons en de werkelijkheid waarin we de wereld kunnen vastpakken en temmen en ordenen op zo’n manier dat we er iets zinnigs mee kunnen?

Haar verhaal?

Ik ben A Sport and a Pastime van James Salter aan het lezen en beleef er weinig plezier aan. Niet dat ik vind dat het lezen van romans alleen maar een gemakkelijke of bevestigende ervaring moet zijn, eerder het omgekeerde. Verontrustende boeken als Disgrace van Coetzee of Reis naar het einde van de nacht van Céline, heb ik met plezier gelezen, juist omdat zo’n boek mijn wereld een beetje uit het lood slaat, op een zere plek drukt, me iets laat zien.

A Sport and a Pastime vind ik gewoon saai. Salter wordt regelmatig geroemd om zijn formuleringen en de krachtige manier waarop hij een sfeer oproept. Dat zie ik ook, en dat maakt dat ik A Sport and a Pastime zal uitlezen.

Hier is een voorbeeld, over een jonge ober die verliefd is, maar niks durft te ondernemen (en natuurlijk over de verteller zelf): ‘But the young waiter, how well I know him. He saves his money. His clothes are neat. He walks quietly through town, his eyes lowered. Sometimes at night he stands in the crowd. He sees her smile and his heart falls out of him.‘ Op zich sterke details waarmee hij deze jongen schetst, maar dat laatste hoofdzinnetje vind ik geschmier. Het is te zwaar aangezet. Als stilist wordt Salter wel vergeleken met Hemingway, maar ik prefereer het origineel.

A Sport and a Pastime gaat over een jonge Amerikaan die een seksuele relatie heeft met een nog jongere Française. Ze rijden rond in een dure auto die hij heeft geleend en hebben seks in hotelkamers. Dat alles wordt verteld door een vriend van de Amerikaan, die in het midden laat of hij het hele verhaal verzint.

De lezer beleeft de relatie uit het perspectief van de man en het probleem is dat ik dat verhaal veel te goed ken. Het verlangen om vrij rond te toeren met een vrouw met wie je de hele tijd seks hebt; het fantaseren over wat je allemaal met haar zou willen doen; het uitproberen van wat je hebt bedacht. Het is cliché gestapeld op cliché. Zelfs vergeleken bij mijn eigen weinig spectulaire jongemannenjaren, is het bestaan van deze jonge Amerikaan saai.

Ongetwijfeld heeft Salter hem bewust plat gehouden, hij is de plaatsvervanger van de verteller (die het zelf niet met een vrouw durft aan te leggen) en het equivalent van de anonieme pik in een pornofilm. (Er wordt veel seks beschreven in het boek. Gelukkig is Salter zo verstandig dat kort en to the point te doen.)

Met alleen platte personages krijg je een saai verhaal. De Française krijgt in het boek nog minder ruimte, en wat je van haar krijgt, komt via twee mannen, haar Amerikaanse minnaar en diens vriend (nog los van de auteur zelf). Wat drijft haar? Ze weet dat dit een eindige relatie is, maar dat wil ze niet. Ook lijkt ze niet bepaald overdonderd door de charmes van haar minnaar. What’s in it for her? Wat wil ze, waardoor wordt ze gedreven? Ik had meer plezier beleefd aan het lezen van haar verhaal.

Na Wolf Hall

Bringing up the bodies is het vervolg op Wolf Hall. Het gaat over dezelfde mensen, dezelfde periode in de Engelse geschiedenis, dezelfde soort gebeurtenissen. Toch vind ik het een heel ander boek. En daar zijn twee redenen voor.

De eerste is dat Mantel aan het begin van Bringing up the bodies moet kiezen: Ga ik door in dezelfde hier-en-nustijl van Wolf Hall, zonder uitleg, terugblikken of vooruitblikken? Of kom ik de lezer tegemoet die dit boek leest zonder eerst Wolf Hall gelezen te hebben, door af en toe samen te vatten, toe te lichten?

Mantel kiest voor het laatste, en dat levert zinnen op als deze (over Thomas Cromwell, de hoofdpersoon): ‘Some say he came up with the Boleyns, the queen’s family. Some say it was wholly through the late Cardinal Wolsey, his patron; Cromwell was in his confidence and made money for him and knew his secrets.’

Heb je Wolf Hall gelezen, dan weet je dat allemaal al. Op zich niet zo erg kun je denken, de lezer krijgt in compacte vorm wat functionele informatie – maar met Wolf Hall in mijn achterhoofd, miste ik het de directe, dicht-op-de-huidstijl van dat boek. Een ander voorbeeld: beide boeken zijn in de derde persoon geschreven, maar in Wolf Hall is dat perspectief zo persoonlijk, dat steeds duidelijk is dat met ‘he‘ Cromwell wordt bedoeld. In Bringing up the bodies moet Mantel dat veel vaker benoemen, je krijgt dan: ‘He, Cromwell, says…’ enz. Ik vind dat jammer.

Naast deze stilistische verschillen, is er ook een verschil in inhoud. Dat correspondeert overigens met die stijlkeuzes, zoals je van een goed boek mag verwachten. Wolf Hall gaat over Thomas Cromwell. We zien de wereld door zijn ogen, als jongen die door zijn vader wordt mishandeld, als man die zijn vrouw en kinderen verliest, als vertrouweling van kardinaal Wolsey, die hij trouw wil blijven maar van wie hij tegelijkertijd afstand moet nemen wil hij zijn ambities kunnen waarmaken. Dat psychologische drama en de directe stijl, maken Wolf Hall zo verfrissend als roman over een zeer bekende historische periode.

In Bringing up the bodies neemt die geschiedenis toch wat de overhand. Het boek gaat over de val en uiteindelijke executie van Anna Boleyn, en dat is natuurlijk ook een spectaculair drama, maar het personage Cromwell wordt meer een doorgeefluik voor deze gebeurtenissen, dan het onderwerp van het drama zelf.

Er komt nog een derde deel. Uiteindelijk is ook Cromwell zelf op het schavot beland. Ik ben heel benieuwd naar dat boek, naar het personage van Cromwell in zijn laatste jaren, en naar de stilistische keuzes die Mantel zal maken bij het vertellen van dat verhaal. De eerste twee boeken zijn in elk geval een hard act to follow.

Leunstoelreizigersromantiek

Vroeger droomde ik ervan om rond de wereld te zeilen. Nu ben ik vooral blij met een werkelijk uitgevoerd fietstochtje langs de Vecht met mijn kinderen. Wat niet betekent dat ik niet meer droom van verre reizen naar verlaten gebieden.

Ik hoef maar het verslag van zo’n reis te lezen, of ik krijg zin om mijn biezen te pakken. In Zoektocht naar het paradijs schrijft Arita Baaijens over een tocht te paard die ze door Centraal-Azië heeft gemaakt. Doel van haar reis is te ontdekken waarom bepaalde landschappen heilig zijn voor de mensen die er wonen, of er naartoe trekken. Ze probeert te ontdekken wat de kenmerken van zo’n landschap zijn, door om het Altai-gebergte te reizen. Wat ze ontdekt is vooral het effect van het landschap op haarzelf. Tijdens het lezen verlangde ik ernaar net zo’n reis te maken – een verlangen dat nergens op slaat, ik kan niet eens paardrijden.

Op mijn kampeermatje las ik Sylvain Tessons Ongebaande paden, over een voettocht door Frankrijk, waarbij hij zoveel mogelijk over onverharde paden loopt. Een reis die qua uitvoerbaarheid een stuk dichter bij mijn vermogens ligt, en waarvan het verslag dezelfde romantische verlangens in me wakker maakt als de tekst van Baaijens. Tessons reis heeft ook een doel, en dat moet ook wel bij zulke teksten. Of het nodig is om zo’n reis te volbrengen, als motivatie voor de reiziger, weet ik niet, maar voor de lezer is het in elk geval fijn om een stuwende kracht in het verhaal te hebben.

Doel van Tessons tocht is zijn revalidatie. Na een val is hij ernstig gewond geraakt en in plaats van te revalideren in een kliniek, besluit hij te voet Frankrijk over te steken. Tessons stijl is een stuk romantischer dan die van Baaijens. Hij zoekt de onverharde paden, hij zoekt een Frankrijk dat misschien wel nooit heeft bestaan en hij moppert continu op alle vooruitgang, van internet tot ruilverkaveling.

Ik ben er nog niet uit welk boek ik als tekst het sterkste vind. Dat hoeft natuurlijk ook niet, het is geen wedstrijd. Baaijens schrijft behoorlijk nuchter, met af en toe lelijke zinnen, maar die nuchtere blik op de wereld herken ik wel en is denk ik ook wat voor mij (en voor haarzelf) zorgt dat Zoektocht naar het paradijs geen zweverig boek is.

Tessons nostalgische verzet tegen alles van de EU tot het journaal, begon me op een gegeven moment te ergeren. Maar dat maakt zijn verslag voor mij ook het menselijkste, of in elk geval het persoonlijkste. Ik ben het vaak niet met hem eens, maar heb Ongebaande paden met plezier gelezen.

En erbij weggedroomd. De hang naar buiten zijn, naar ontsnappen uit het dagelijks bestaan is voor iedereen voorstelbaar. En zelfs het fietstochtje langs de Vecht dat ik met mijn kinderen heb gemaakt, heeft het vermogen je te laten ontsnappen. Traag fietsend – mijn jongste is zes, zijn wielen zijn klein – lieten we het tempo van de rest van de wereld achter ons. ’s Avonds sloegen we ons tentje op bij een oud fort, aten we knakworsten en dronken er water bij dat extra lekker smaakte omdat je er zo ver voor moest lopen.

De volgende ochtend haalde de wereld ons weer in. Mijn echtgenote bracht croissants langs voor de verjaardag van onze oudste en wilde niet wachten tot we de tent hadden ingepakt en we samen konden opbreken – ze moest naar haar werk, het dagelijks bestaan van iedereen om ons heen ging gewoon door.

Maar wij waren toch even ontsnapt.

Uitstapje 2

Samen met John Le Carre’s The Russia House kocht ik Hilary Mantels Wolf Hall. Ik had veel goeds over het boek gehoord, maar had het nog niet gelezen. Historische romans zijn voor mij toch een beetje verdacht. Ik heb geschiedenis gestudeerd en in zulke romans wordt het verleden me te vaak geïdealiseerd; zelfs als het niet veel rooskleuriger of romantischer wordt voorgesteld dan het was, wordt het vaak wel erg afgestoft, zoals sommige gebouwen over-gerestaureerd worden. Teruggebracht in de oorspronkelijke staat heet dat dan, maar wat is de oorspronkelijke staat van een vierhonderd jaar oud gebouw? Ik zie liever de sporen van dat hele verleden.

Een overdaad aan decor en uitleg maakt boeken volgens mij niet beter, maar dat geldt niet alleen voor romans die in het verleden spelen. Bij Mantel hoef je daar in elk geval niet bang voor te zijn. Wolf Hall is consequent uit het perspectief van de verteller geschreven, Thomas Cromwell, een straatjongen die uitgroeit tot eerste minister van Hendrik VIII – die van de zes vrouwen en de Anglicaanse kerk. Mantel schrijft in de derde persoon, maar het is een zeer persoonlijk perspectief, het leest eigenlijk als eerste persoon – Cromwell wordt in het hele boek aangeduid met ‘he‘, zelden met zijn naam, en nooit is het verwarrend wie met ‘he’ bedoeld wordt. Ook Mantels keuze voor de tegenwoordige tijd brengt het boek erg dicht bij de lezer. Er wordt niks uitgelegd, nergens vooruitgeblikt, en die afwezigheid van stiekeme geschiedenislessen werkt perfect.

Door Mantels strakke keuze voor de belevingswereld van één personage, van één mens, doordat ze je mee laat leven met diens verlies en geluk – de dood van zijn vrouw en dochters, het genoegen van een promotie ten koste van een rivaal – moest ik bij het lezen van Wolf Hall vaak aan Shakespeare denken, en nooit aan een oude geschiedenisleraar op zijn vertelstoel. En dat is een heel, heel grote aanbeveling.

Grauw Brooklyn

Ik werd niet meteen gegrepen door Bernard Malamuds The Assistant, wat vooral kwam omdat ik net daarvoor Pictures of Fidelman had gelezen. The Assistant is een lijvige roman over winkeliers die speelt in een grauwe, arme wijk van Brooklyn; Pictures of Fidelman is een bundel van zes verhalen over de mislukte schilder Fidelman in Italië.

Malamud bouwt The Assistant zorgvuldig op voordat hij alles laat instorten – en het boek eindigt niet eens helemaal zonder hoop, al kun je je afvragen of volharding grenzend aan masochisme echt hoopvol is. Maar toch, aan het eind had ik het idee dat de uitkomst van het drama de hoofdpersoon, Frankie Alpine, iets oplevert.

Die Frankie is een Italiaanse slapjanus die met de verkeerde vrienden rondhangt en geen ‘discipline’ heeft. Hij overvalt Morris Bober, Joodse winkelier met een armetierige zaak en gaat daarna, uit een soort onduidelijk schuldgevoel, gratis voor hem werken. Ondertussen steelt hij geld uit de kas, maar zit daar ook mee – Frankie is iemand die een geweten achter zich aan sleept, schrijft Malamud. Malamud laat dit onnadrukkelijk zien, hij noemt het, laat zien wat Frankie doet en denkt en dat is het, geen geproblematiseer, dat mag de lezer zelf doen.

Frankie wordt verliefd op Helen, de dochter van de winkelier en degene die hem vertelt dat ‘discipline’ goed is, een idee dat hem bevalt. De liefde is wederzijds. Dan komen twee verhaallijnen bij elkaar, of eigenlijk drie: Morris stuurt Frankie weg als hij hem ziet stelen; Frankies foute vriend Ward (zijn mede-overvaller) randt Helen aan als ze in het park op Frankie wacht; Frankie, dronken, slaat Ward van Helen af en verkracht haar – die term komt in het boek niet voor, maar hij dwingt haar seks met hem te hebben en dan is alles natuurlijk voorbij.

Alleen wordt Morris ziek en kan Frankie toch blijven. Eigenlijk maakt hij zichzelf tot deel van het interieur, doet wat moet, wat goed is, wat onontkoombaar is, wat in elk geval het enige is dat geen weglopen is. En hij wordt jood, nadat Moris gestorven is.

Gedurende het hele verhaal wordt erop gewezen dat hij niet in de ‘grocery business‘ moet gaan, en wordt duidelijk hoe klote het is, in elk geval in de financiële zin, om een arme Jood in Brooklyn te zijn. Toch lijkt Malamud te zeggen dat Frankie uiteindelijk – iets – beter af is als arme joodse winkelier, dan als slapjanus zonder discipline.

Voor wie The Assistant nog wil lezen en bang is dat ik nu teveel heb verteld over dit boek: niet nodig. The Assistant is veel meer dan het plot. Malamud is een meester in wat ik maar sfeer noem, maar het is meer dan dat, het is een verhaal een gevoel van plaats geven, een eigen kleur, een sensibiliteit die voorbij de handeling gaat. En uiteindelijk bekoorde het grauwe realisme van armeluis Brooklyn me net zozeer als het exotisme van de Italiaanse setting van Pictures of Fidelman.