Categorie archief: en de wereld

Mahler

Een jaar geleden hoorde ik voor het eerst muziek van Mahler. Ik had die middag geholpen bij een feest met dertig stuiterende kinderen, was laat en moest rennen om op tijd in het concertgebouw te zijn. Mijn plek was de goedkoopste in de zaal, ik kon het podium alleen zien door steeds links of rechts langs een paal te kijken. En naast me zat een man zo zwaar te ademen dat ik bang was dat hij erin zou blijven.

Toch was het eenvoudig me op de muziek te concentreren. Het was de zevende symfonie, het Lied der Nacht, gespeeld door het Concertgebouworkest onder leiding van Mariss Jansons. Die avond heeft Mahlers muziek me gegrepen en niet meer losgelaten, niet in de laatste plaats door Jansons, die ervoor zorgde dat ik elk instrument hoorde, dat alle klanken gedefinieerd werden, en die tegelijkertijd dat alles in samenhang liet gebeuren, één orkest, één symfonie, één idee.

Afgelopen vrijdag was ik opnieuw naar een uitvoering van Mahler, ditmaal de tiende symfonie, door het Nederlands Philharmonisch onder leiding van Marc Albrecht.

Die tiende heeft Mahler nooit helemaal zelf voltooid, hij stierf terwijl hij ermee bezig was. Er zijn puristen die dan ook alleen het eerste van de vijf delen willen uitvoeren, het enige dat Mahler zelf heeft georkestreerd. Ik begrijp dat niet zo goed. De versie die door Cooke is afgerond – veel meer dan de muziek die er lag, geschikt maken voor uitvoering door een orkest heeft hij niet gedaan – is absoluut Mahler. Het concept van die symfonie is volledig aanwezig in wat je hoort en het hele werk heeft die voor mij typisch Mahleriaanse kwaliteit van muziek die (abstracte) ideeën uitdrukt, en die geheel eigen stellaire klank waardoor je het universum lijkt te horen.

Wat ben ik blij dat Albrecht er geen bezwaar in ziet de hele symfonie uit te voeren – wie zou deze muziek nu niet willen horen?

Albrecht en het NedPho speelden voor de zomer een prachtige negende van Mahler, en nu dus de tiende. Dit keer zat ik vrij ver vooraan, en voor het concert begon keken een van de violisten en ik elkaar een tijdje aan. We herkenden elkaar, en zij wist meteen mijn naam, haar mond vormde de twee lettergrepen, overduidelijk ondanks de afstand. Even voelde ik mij ongemakkelijk, want hoe heette zij ook alweer?

Voor het eind van het concert wist ik het weer: Mascha van Sloten. Ik moest er ver voor terug gaan, naar de dorpen in Groningen waar we opgroeiden, naar de jaren dat mijn leeftijd nog maar één cijfer had.

En zo kwam alles bij elkaar. Ik heb Mahler laat ontdekt, en door die ontmoeting met iemand uit mijn jeugd, kwamen niet alleen uitvoerend artiest en publiek een moment samen, maar is deze muziek waar ik zo van hou, verbonden met mijn jonge jaren, alsof Mahler toch altijd aanwezig is geweest in mijn bestaan.

Comfort literature

Soms vraag ik me af waar ik het voor doe. Niet het schrijven zelf, romans schrijf ik omdat ik dat graag wil, daar heb ik me al lang geleden bij neergelegd, ook toen ze nog niet uitgegeven werden. Maar dat uitgeven – wat heeft een ander eraan om mijn verhalen te lezen? Wat doet nóg een roman ertoe tussen al die boeken die er al zijn?

Dodelijke gedachten natuurlijk, maar van twijfel, uitdaging en onzekerheid wordt het werk alleen maar beter. De dag dat ik iets doe waarvan ik van tevoren zeker weet dat het me lukt en dat het een succes wordt, is de dag dat ik in mijn graf lig.

Meestal bekruipen die vragen over de zin van literatuur me als de wereld op zijn kop staat. Wat doet literatuur ertoe als er mensen verdrinken op zoek naar een beter bestaan, als er mensen gedood worden bij aanslagen of bombardementen, als wereldleiders alleen aan zichzelf denken en niet aan de wereld? Niets, schreef ik daarover op dit blog, en Literair weerwoord. Zonder kunst geen menselijkheid. Zo formuleerde ik voor mezelf een algemeen en wat abstract antwoord.

En dan krijg je ineens van een ander een veel persoonlijker en misschien veel beter antwoord. Troost. Niet de troost van oplossingen voor problemen, niet de troost van een betere wereld, maar de troost van een arm om je heen, van een deken op de bank, van een bord van je lekkerste eten. Degene die me dit liet zien, zat dagen achtereen verstopt in Donna Tartts The Goldfinch. Weg van verlies, weg van verdriet, al is het maar gedurende een aantal bladzijden. En The Goldfinch heeft er 864, een flinke bak troost.

Het is vast niet de enige reden waarom ik mijn romans de wereld in wil hebben, maar het idee dat er ergens lezers zullen zijn die zo in mijn verhaal kunnen kruipen, is een erg prettige gedachte.

Leunstoelreizigersromantiek

Vroeger droomde ik ervan om rond de wereld te zeilen. Nu ben ik vooral blij met een werkelijk uitgevoerd fietstochtje langs de Vecht met mijn kinderen. Wat niet betekent dat ik niet meer droom van verre reizen naar verlaten gebieden.

Ik hoef maar het verslag van zo’n reis te lezen, of ik krijg zin om mijn biezen te pakken. In Zoektocht naar het paradijs schrijft Arita Baaijens over een tocht te paard die ze door Centraal-Azië heeft gemaakt. Doel van haar reis is te ontdekken waarom bepaalde landschappen heilig zijn voor de mensen die er wonen, of er naartoe trekken. Ze probeert te ontdekken wat de kenmerken van zo’n landschap zijn, door om het Altai-gebergte te reizen. Wat ze ontdekt is vooral het effect van het landschap op haarzelf. Tijdens het lezen verlangde ik ernaar net zo’n reis te maken – een verlangen dat nergens op slaat, ik kan niet eens paardrijden.

Op mijn kampeermatje las ik Sylvain Tessons Ongebaande paden, over een voettocht door Frankrijk, waarbij hij zoveel mogelijk over onverharde paden loopt. Een reis die qua uitvoerbaarheid een stuk dichter bij mijn vermogens ligt, en waarvan het verslag dezelfde romantische verlangens in me wakker maakt als de tekst van Baaijens. Tessons reis heeft ook een doel, en dat moet ook wel bij zulke teksten. Of het nodig is om zo’n reis te volbrengen, als motivatie voor de reiziger, weet ik niet, maar voor de lezer is het in elk geval fijn om een stuwende kracht in het verhaal te hebben.

Doel van Tessons tocht is zijn revalidatie. Na een val is hij ernstig gewond geraakt en in plaats van te revalideren in een kliniek, besluit hij te voet Frankrijk over te steken. Tessons stijl is een stuk romantischer dan die van Baaijens. Hij zoekt de onverharde paden, hij zoekt een Frankrijk dat misschien wel nooit heeft bestaan en hij moppert continu op alle vooruitgang, van internet tot ruilverkaveling.

Ik ben er nog niet uit welk boek ik als tekst het sterkste vind. Dat hoeft natuurlijk ook niet, het is geen wedstrijd. Baaijens schrijft behoorlijk nuchter, met af en toe lelijke zinnen, maar die nuchtere blik op de wereld herken ik wel en is denk ik ook wat voor mij (en voor haarzelf) zorgt dat Zoektocht naar het paradijs geen zweverig boek is.

Tessons nostalgische verzet tegen alles van de EU tot het journaal, begon me op een gegeven moment te ergeren. Maar dat maakt zijn verslag voor mij ook het menselijkste, of in elk geval het persoonlijkste. Ik ben het vaak niet met hem eens, maar heb Ongebaande paden met plezier gelezen.

En erbij weggedroomd. De hang naar buiten zijn, naar ontsnappen uit het dagelijks bestaan is voor iedereen voorstelbaar. En zelfs het fietstochtje langs de Vecht dat ik met mijn kinderen heb gemaakt, heeft het vermogen je te laten ontsnappen. Traag fietsend – mijn jongste is zes, zijn wielen zijn klein – lieten we het tempo van de rest van de wereld achter ons. ’s Avonds sloegen we ons tentje op bij een oud fort, aten we knakworsten en dronken er water bij dat extra lekker smaakte omdat je er zo ver voor moest lopen.

De volgende ochtend haalde de wereld ons weer in. Mijn echtgenote bracht croissants langs voor de verjaardag van onze oudste en wilde niet wachten tot we de tent hadden ingepakt en we samen konden opbreken – ze moest naar haar werk, het dagelijks bestaan van iedereen om ons heen ging gewoon door.

Maar wij waren toch even ontsnapt.

Buiten

Mensen zijn niet gemaakt om binnen te zitten. Althans, dit mens niet. Ik denk het elke keer als ik buiten ben, vandaag onder de luifel van mijn tent terwijl ik koffie zet en de regen op het doek boven mij spat. Vroeger dacht ik het elke keer als ik ging zeilen. Meestal is het ochtend als ik dit denk, nu voor mijn tent, tijdens tochten op het Wad of het Lauwersmeer wanneer ik mijn kop voor het eerst die dag uit het luik van de kajuit stak. Je zou ook denken dat het meestal zomer is, maar dat is niet waar, ik denk het ook als ik in de herfst door de regen naar Amsterdam fiets of als ik in de winter mijn bomen snoei – omdat het steeds zo warm is, heb ik dat nu al een paar jaar tussen kerst en oud en nieuw gedaan.

Alleen kan ik niet buiten werken. Met een laptop is sowieso hopeloos, vanwege de zon en het scherm, maar ook op papier schiet het niet op. Een paar aantekeningen maken, daar blijft het bij. En lopen, als ik merk dat ik bagger schrijf, als de zinnen wel makkelijk uit mijn handen vloeien, maar niks zeggen en me beginnen te ergeren, dan wandel ik een halfuur tussen de bomen, tot ik weer een eenvoudige zin heb, een zin zonder ambities, die alleen zegt wat hij daar, op die plek moet zeggen.

Maar vandaag wordt het toch een poos binnen zitten, potlood in de hand, gebogen over een stapel papier, op zoek naar wat ik kan schrappen en misschien al iets schrijven van wat nog ontbreekt.

Algoritmen

Onlangs plaatste ik een filmpje waarin drie algoritmen werden uitgelegd op Facebook. Het filmpje werd door verschillende boekenliefhebbers geliket, lezers, schrijvers, uitgevers. Onderwerp was hoe je je boekenkast het snelst op alfabet kunt sorteren.

Ik moet aan dit filmpje denken nu er de laatste tijd van alles gezegd en geschreven is over de combinatie van algoritmen en kunst, waaronder literatuur. Daarbij lijken doemscenario’s populair. Zo stond er afgelopen weekend  een stuk van twee pagina’s in de Volkskrant over het produceren van muziek, litaratuur of andere kunst met behulp van algoritmen, en of dat niet het einde van die kunstvormen zou betekenen. Daarnaast speelde het gebruik van algoritmen een rol in twee discussies in grote uitgeefconcerns, bij WPG (o.a. Bezige Bij) en, meer indirect, bij Bookchoice, een site voor e-bookabonnementen, als investeerder in VBK (o.a. Ambo|Anthos en AtlasContact)

Laat ik maar meteen bekennen dat ik zojuist ‘wat is een algoritme?’ gegoogeld heb – een aanrader voor iedereen die iets wil stellen over de toepassing ervan in de kunsten, waaronder literaire fictie.

Een algoritme is een eindige reeks instructies, leidend tot een bepaald resultaat. Het standaardvoorbeeld is een recept: weeg af, snijd, kook, voeg toe enz. Met zulke algoritmen kun je computerprogramma’s maken, in feite lange en complexe reeksen instructies die met ingevoerde data aan de slag gaan.

Een voorbeeld van een toegepast algoritme dat ik momenteel gebruik bij het schrijven: de zoek-en-vervangfunctie in Word. Ik heb net mijn manuscript doorgelezen, bedacht dat ik een bepaald woord teveel gebruik en dat ik een bepaalde plaatsnaam wil veranderen. Ik kan natuurlijk de tekst pagina voor pagina doorlezen en dat woord en die naam aanpassen, maar zoek-en-vervang is veel handiger.

Dit is een voorbeeld waar niemand bezwaren tegen zal hebben (en tegen de spellchecker evenmin vermoed ik). Maar hoe zit het met complexere algoritmen, die een hele tekst zouden kunnen wijzigen of zelfs produceren? Bij muziek lukt het al heel aardig om iets te produceren in een bepaalde stijl. Maar is dat kunst?

Dat kan het wel zijn, als een kunstenaar er gebruik van maakt. Dit antwoord klinkt een beetje flauw, maar het raakt wel de essentie: om kunst te maken, heb je een wil nodig (en je mag het ook inspiratie noemen, idee, noodzaak, drang, kies maar een woord). Algoritmen hebben geen wil, ze worden gemaakt door iemand met een wil. En computerprogramma’s hebben ook geen wil. Mochten ze die ooit krijgen trouwens, dan zal ik ze als mijn gelijke behandelen, want wie een wil heeft, heeft verlangens, en wie verlangens heeft, is een mens.

Ik vind het wel interessant wat een schrijver, dichter of muzikant met nieuwe, complexe algoritmen zou kunnen doen. We kennen de ready mades, er komt ongetwijfeld iemand met computer mades – maar die blijven een product van de creatieve geest van de dichter, net zoals de muziek van Karlheinz Stockhausen een product is van zijn creatieve geest en niet van een synthesizer. Er zullen vast nostalgische romantici zijn die zulke experimenten als een verlies zien, maar niet iedereen hoeft van dezelfde kunst te houden. Over een gesprek met een bezoeker na een uitvoering van Samstag vertelde Stockhausen dat de man hem vroeg hoe bepaalde geluiden werden gemaakt. ‘Met generators en synthesizers,’ zei Stockhausen. ‘Wat?! Dan hebben we geen orkest meer nodig,’ antwoordde de man, en Stockhausen zag hem het auditorium uit stormen, ‘alsof hij van binnen was gestorven, in zijn geest.’

Kortom, algoritmen om mee te schrijven, mogelijk interessant voor de meer avant-gardistische, conceptueel ingestelde schrijvers onder ons, die graag met vorm experimenteren – wie wordt de Stockhausen van de Nederlandse literatuur?

Blijft over het gebruik van big data en algoritmen om boeken te verkopen. Dat moeten we even in tweeën splitsen:

  1. Je kunt algoritmen gebruiken om aan de hand van data te bepalen welke lezers welke boeken interessant zouden kunnen vinden, net zoals online winkels van Amazon tot Zalando dat al doen. Ook kun je zo het aanbod in een abonnementendienst meer op de lezer afstemmen. Zolang deze ‘nieuwe’ verkooptechnieken niet ten koste gaan van de traditionele, kortom als de belangen van lezers en auteurs ermee gediend zijn, is er volgens mij niks mis mee.
  2.  Je kunt proberen algoritmen, of eigenlijk computerprogramma’s, tot redacteur te bombarderen en te laten voorspellen hoe een boek het zal doen. Als je dat helemaal uitbesteedt aan een computerprogramma krijg je misschien wel een rendabel fonds, maar ook een heel erg run-of-the-millfonds, en waarom zou je dat willen? Eigenlijk zie ik deze kwestie meer als een probleem van redacteuren en uitgeverijen, dan van schrijvers, in elk geval van de schrijvers die iets willen maken omdat ze die wil hebben, omdat ze kunst produceren – die doen nu immers ook geen aanpassingen aan hun tekst omdat die dan misschien beter zou verkopen. De vraag is dus niet zozeer: wil je zo’n algoritme gebruiken? maar: wat voor boeken wil je uitgeven? Kunst of kitsch?

Algoritmen zullen de kunst niet verpesten – daar is de kunstenaar zelf nog altijd de baas, en dat zal altijd zo blijven. De verkoop zullen ze mogelijk verbeteren. Toch fijn, want kunstenaars willen ook eten. Ik blijf deze ontwikkelingen met interesse volgen en ben maar snel lid geworden van de auteursbond, want als er meer verkocht wordt, wil ik straks wel een eerlijk deel van de poet.

Drie keer afstand

Op Camberwell Green besefte ik zeventien jaar geleden dat maar weinig mensen die in Londen wonen, er ook echt vandaan komen, en dat dat een belangrijke reden was waarom ik me er zo op mijn gemak voelde. Veel inwoners van Londen zijn ernaartoe verhuisd, vaak uit een ander land. En van degenen die er geboren zijn, heeft een groot deel ouders of grootouders die ernaartoe verhuisd zijn. Je kunt de statistieken erop naslaan, maar voor mij telde het straatbeeld: daar op Camberwell Green, bij de bushalte van lijn 36, zag ik dat niemand daar thuishoorde, en dat dus iedereen er thuishoorde, ook ik.

Eigenlijk kom ik nergens vandaan, niet helemaal in elk geval. Curaçao niet, Limburg niet, en Groningen: ik ben er wel geboren, maar is dat hetzelfde als er vandaan komen? (Pas nu ik dit opschrijf, realiseer ik me hoe anders dat voor mijn ouders is. Mijn moeders familie gaat generaties terug op Curaçao, die van mijn vader generaties in Limburg. Eeuwen, in beide gevallen. Zij komen wel ergens vandaan, al wonen ze er niet meer.)

Ik vond het prettig, de afstand tussen mij en plaatsen van herkomst, zowel mijn eigen plaatsen van herkomst, als die van de anderen. En ik voelde me thuis in dit level playing field, waar eigenlijk niemand een sterkere claim had op de omgeving dan een ander. Bovenal voelde ik me bevrijd, ik was op een plek waar niemand mij kende, waar ik een toekomst bij elkaar kon fantaseren zoals ik hem wilde, en indien nodig nog een verleden ook.

Zes weken geleden was ik er weer, en maakte de foto hierboven. Inmiddels heb ik mijn thuis gebouwd, maar de afstand werkte nog steeds bevrijdend. Zowel op mijn eerdere trip naar Sanje, als op deze naar Engeland, bezocht ik plekken waar ik vroeger gewoond heb. Dat had vooral praktische redenen, ik onderzocht locaties voor mijn nieuwe roman, Ochtend op Denmark Hill. Wat ik vooraf niet had bedacht, maar wat misschien wel meer heeft opgeleverd, is dat ik door deze trips loskwam van mijn eigen verhaal. De beelden die je hebt verzameld in een leven, van plaatsen, gebeurtenissen, personen, vind ik meestal handig bij het schrijven, maar ze kunnen ook in de weg staan. Soms willen ze je dwingen om je aan de feiten te houden, alsof ze je meezuigen in de vorm waarin ze zich ooit gemanifesteerd hebben. Nu was het alsof ik oude dozen opruimde. Weg met de schoolschriftjes, de brieven en kaartjes, de verzamelde zooi van een leven – alle ruimte voor de verbeelding.

Over een paar weken stuur ik het manuscript van Ochtend op Denmark Hill aan mijn redacteur. Dat wordt de eerste keer dat zij de hele tekst ziet, en ook de eerste keer dat ik hem helemaal zie, want ik moet nog een paar hoofdstukken afmaken. Daarna is nog alle tijd voor aanpassingen (ik weet er al een aantal…) maar ik moet nu wel haast maken om die eerste versie volledig te hebben.

En daarin kun je doorschieten – ik ben vast niet de enige. Opgeslokt door de tekst, en nu vooral door het handelingsverloop – wat wil ik nog vertellen – kun je ook die tekst zelf vergeten. Want uiteindelijk is dat natuurlijk wat je maakt: een tekst. Een verzameling woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken. En toen ik laatst teruglas wat ik had geschreven terwijl ik zo werd meegesleept, zag ik wat ik vergeten was. Een zekere afstand tussen jezelf en de tekst is nodig, niet altijd, je moet je ook kunnen laten verassen, kunnen ontdekken, maar je moet met professionele distantie blijven kijken, en af en toe genadeloos op de deleteknop drukken. Om daarna de scène te schrijven zoals die wel moet zijn, in één roesvolle, trefzekere dag.

 

 

Migrant

Het is wellicht mijn eigen migrantenachtergrond waar door ik me de afgelopen week zo gestoord heb aan de manier waarop er over migratie is gesproken. De discussie concentreerde zich vooral op het asielrecht en de teneur was: niet belangrijk genoeg om er een probleem van te maken. Een discussie was het zelfs nauwelijks te noemen, eerder een communis opinio: we hebben wel wat belangrijkers aan ons hoofd. Zelfs GroenLinksstemmers schreven brieven aan Jesse Klaver met de strekking: ‘Wat je niet allemaal had kunnen doen voor het klimaat! Wat je niet had kunnen doen aan sociale ongelijkheid! En je geeft het allemaal op voor een paar vluchtelingen!’

Afgezien van de enorme naïviteit van die gedachtegang – alsof de VVD ineens de kolencentrales zou willen sluiten, de gaskraan in Groningen dichtdraaien en eens lekker zou gaan nivelleren als GroenLinks maar toegaf op migratie – stoort het me dat mensen relatieve luxeproblemen belangrijker vinden dan een kwestie van leven of dood. En ja, ik begrijp de consequenties van klimaatverandering. Ja, ik begrijp wat de gevolgen zijn van grote inkomens- en vermogensongelijkheid, zowel voor de minst bedeelde mensen zelf, als voor de samenleving als geheel. Maar aan beide zaken sterven op dit moment geen mensen bij bosjes tegelijk. Aan de belemmeringen van bewegingsvrijheid wel, of dat nu is omdat mensen niet weg kunnen komen van het geweld; of ze onderweg door misdadigers worden vermoord of hulpeloos aan hun lot overgelaten; of ze de dood vinden in illegale vervoermiddelen.

Niet alleen ben ik het kind van een migrant, ik heb ook meer dan tien jaar lesgegeven aan migranten in de taal-en schakeltrajecten van de Hogeschool van Amsterdam. Ruim duizend mensen die inmiddels onze ‘buitenlandse’ buren, collega’s, familieleden, vrienden en kennissen zijn, heb ik stuk voor stuk een jaar lang intensief Nederlands geleerd. En bij al deze mensen heb ik altijd het gevoel gehad dat ze hier mochten zijn, er net zo goed bij horen als jij en ik. Niet alleen de aardige, geïnteresseerde, beleefde en intelligente onder hen, maar ook de vervelende, bekrompen, onvriendelijke – die mensen maken tenslotte ook deel uit van een samenleving.

En dat is denk ik voor mij het cruciale, of zo je wilt gevoelige, punt: dat ik erbij hoor, dat wij erbij horen. De implicatie van de meeste standpunten over migratie, ook dat van GroenLinks, is dat er niet teveel migranten moeten komen. Alsof er iets verloren zou gaan in Nederland, alsof dit land slechter af zou zijn, als er ooit meer mensen zullen zijn met mijn voorouders, dan met louter opa’s en oma’s uit de Hollandse klei.

Natuurlijk, ik weet dat de meeste mensen het niet zo bedoelen, en ik weet ook dat met migratie zoals wij die hier tot nog toe kennen, heel wat problemen gepaard gaan – helaas wordt niet elke migrant zo uitgebreid wegwijs gemaakt in Nederland als mijn studenten.

Los van mijn eigen achtergrond, denk ik dat het tijd is om op een andere manier naar migratie te kijken. Soms denk ik dat we een soort foto-negatief van Geert Wilders nodig hebben: iemand die óók hardop zegt dat er veel mensen in beweging zijn en dat het er alleen maar méér worden, iemand die óók zegt dat daar allerhande problemen bij horen, maar iemand die heel andere, visionaire oplossingen voorstaat.

Mensen zijn als wind. Heb je een hogedrukgebied en een lagedrukgebied, dan stroomt de wind van het eerste naar het laatste. Heb je een arm en onveilig gebeid en een rijk en veilig gebied, dan stromen de mensen van het eerste naar het tweede. Dat zal, ondanks maatregelen als de Turkijedeal en het sluiten van de Balkanroute, eerder toenemen dan afnemen. De technologie staat niet stil, er zullen meer bootjes en andere vervoermiddelen bijkomen, er zullen meer en goedkopere mogelijkheden zijn om met het thuisfront te communiceren.

Angela Merkels ‘Wir schaffen das’ is een te simpele gedachte, je moet dan ook werkelijk iets ‘schaffen’ en niet achterover leunen en verwachten dat het vanzelf gaat.

Mark Ruttes versie, die van de Turkijedeal, is evenmin het antwoord. Dat is de kwestie negeren en proberen de stroom mensen terug te duwen, zoals we gaten in een lekkende oude badkuip proberen te stoppen. Maar als de kraan openblijft, stroomt het water hoe dan ook de vloer wel op.

De enigen die tot nu toe een werkende visie lijken te hebben op migratie, zijn mensenhandelaren. Dat moet toch beter kunnen.