Buiten

Mensen zijn niet gemaakt om binnen te zitten. Althans, dit mens niet. Ik denk het elke keer als ik buiten ben, vandaag onder de luifel van mijn tent terwijl ik koffie zet en de regen op het doek boven mij spat. Vroeger dacht ik het elke keer als ik ging zeilen. Meestal is het ochtend als ik dit denk, nu voor mijn tent, tijdens tochten op het Wad of het Lauwersmeer wanneer ik mijn kop voor het eerst die dag uit het luik van de kajuit stak. Je zou ook denken dat het meestal zomer is, maar dat is niet waar, ik denk het ook als ik in de herfst door de regen naar Amsterdam fiets of als ik in de winter mijn bomen snoei – omdat het steeds zo warm is, heb ik dat nu al een paar jaar tussen kerst en oud en nieuw gedaan.

Alleen kan ik niet buiten werken. Met een laptop is sowieso hopeloos, vanwege de zon en het scherm, maar ook op papier schiet het niet op. Een paar aantekeningen maken, daar blijft het bij. En lopen, als ik merk dat ik bagger schrijf, als de zinnen wel makkelijk uit mijn handen vloeien, maar niks zeggen en me beginnen te ergeren, dan wandel ik een halfuur tussen de bomen, tot ik weer een eenvoudige zin heb, een zin zonder ambities, die alleen zegt wat hij daar, op die plek moet zeggen.

Maar vandaag wordt het toch een poos binnen zitten, potlood in de hand, gebogen over een stapel papier, op zoek naar wat ik kan schrappen en misschien al iets schrijven van wat nog ontbreekt.

Uitstapje 2

Samen met John Le Carre’s The Russia House kocht ik Hilary Mantels Wolf Hall. Ik had veel goeds over het boek gehoord, maar had het nog niet gelezen. Historische romans zijn voor mij toch een beetje verdacht. Ik heb geschiedenis gestudeerd en in zulke romans wordt het verleden me te vaak geïdealiseerd; zelfs als het niet veel rooskleuriger of romantischer wordt voorgesteld dan het was, wordt het vaak wel erg afgestoft, zoals sommige gebouwen over-gerestaureerd worden. Teruggebracht in de oorspronkelijke staat heet dat dan, maar wat is de oorspronkelijke staat van een vierhonderd jaar oud gebouw? Ik zie liever de sporen van dat hele verleden.

Een overdaad aan decor en uitleg maakt boeken volgens mij niet beter, maar dat geldt niet alleen voor romans die in het verleden spelen. Bij Mantel hoef je daar in elk geval niet bang voor te zijn. Wolf Hall is consequent uit het perspectief van de verteller geschreven, Thomas Cromwell, een straatjongen die uitgroeit tot eerste minister van Hendrik VIII – die van de zes vrouwen en de Anglicaanse kerk. Mantel schrijft in de derde persoon, maar het is een zeer persoonlijk perspectief, het leest eigenlijk als eerste persoon – Cromwell wordt in het hele boek aangeduid met ‘he‘, zelden met zijn naam, en nooit is het verwarrend wie met ‘he’ bedoeld wordt. Ook Mantels keuze voor de tegenwoordige tijd brengt het boek erg dicht bij de lezer. Er wordt niks uitgelegd, nergens vooruitgeblikt, en die afwezigheid van stiekeme geschiedenislessen werkt perfect.

Door Mantels strakke keuze voor de belevingswereld van één personage, van één mens, doordat ze je mee laat leven met diens verlies en geluk – de dood van zijn vrouw en dochters, het genoegen van een promotie ten koste van een rivaal – moest ik bij het lezen van Wolf Hall vaak aan Shakespeare denken, en nooit aan een oude geschiedenisleraar op zijn vertelstoel. En dat is een heel, heel grote aanbeveling.

Algoritmen

Onlangs plaatste ik een filmpje waarin drie algoritmen werden uitgelegd op Facebook. Het filmpje werd door verschillende boekenliefhebbers geliket, lezers, schrijvers, uitgevers. Onderwerp was hoe je je boekenkast het snelst op alfabet kunt sorteren.

Ik moet aan dit filmpje denken nu er de laatste tijd van alles gezegd en geschreven is over de combinatie van algoritmen en kunst, waaronder literatuur. Daarbij lijken doemscenario’s populair. Zo stond er afgelopen weekend  een stuk van twee pagina’s in de Volkskrant over het produceren van muziek, litaratuur of andere kunst met behulp van algoritmen, en of dat niet het einde van die kunstvormen zou betekenen. Daarnaast speelde het gebruik van algoritmen een rol in twee discussies in grote uitgeefconcerns, bij WPG (o.a. Bezige Bij) en, meer indirect, bij Bookchoice, een site voor e-bookabonnementen, als investeerder in VBK (o.a. Ambo|Anthos en AtlasContact)

Laat ik maar meteen bekennen dat ik zojuist ‘wat is een algoritme?’ gegoogeld heb – een aanrader voor iedereen die iets wil stellen over de toepassing ervan in de kunsten, waaronder literaire fictie.

Een algoritme is een eindige reeks instructies, leidend tot een bepaald resultaat. Het standaardvoorbeeld is een recept: weeg af, snijd, kook, voeg toe enz. Met zulke algoritmen kun je computerprogramma’s maken, in feite lange en complexe reeksen instructies die met ingevoerde data aan de slag gaan.

Een voorbeeld van een toegepast algoritme dat ik momenteel gebruik bij het schrijven: de zoek-en-vervangfunctie in Word. Ik heb net mijn manuscript doorgelezen, bedacht dat ik een bepaald woord teveel gebruik en dat ik een bepaalde plaatsnaam wil veranderen. Ik kan natuurlijk de tekst pagina voor pagina doorlezen en dat woord en die naam aanpassen, maar zoek-en-vervang is veel handiger.

Dit is een voorbeeld waar niemand bezwaren tegen zal hebben (en tegen de spellchecker evenmin vermoed ik). Maar hoe zit het met complexere algoritmen, die een hele tekst zouden kunnen wijzigen of zelfs produceren? Bij muziek lukt het al heel aardig om iets te produceren in een bepaalde stijl. Maar is dat kunst?

Dat kan het wel zijn, als een kunstenaar er gebruik van maakt. Dit antwoord klinkt een beetje flauw, maar het raakt wel de essentie: om kunst te maken, heb je een wil nodig (en je mag het ook inspiratie noemen, idee, noodzaak, drang, kies maar een woord). Algoritmen hebben geen wil, ze worden gemaakt door iemand met een wil. En computerprogramma’s hebben ook geen wil. Mochten ze die ooit krijgen trouwens, dan zal ik ze als mijn gelijke behandelen, want wie een wil heeft, heeft verlangens, en wie verlangens heeft, is een mens.

Ik vind het wel interessant wat een schrijver, dichter of muzikant met nieuwe, complexe algoritmen zou kunnen doen. We kennen de ready mades, er komt ongetwijfeld iemand met computer mades – maar die blijven een product van de creatieve geest van de dichter, net zoals de muziek van Karlheinz Stockhausen een product is van zijn creatieve geest en niet van een synthesizer. Er zullen vast nostalgische romantici zijn die zulke experimenten als een verlies zien, maar niet iedereen hoeft van dezelfde kunst te houden. Over een gesprek met een bezoeker na een uitvoering van Samstag vertelde Stockhausen dat de man hem vroeg hoe bepaalde geluiden werden gemaakt. ‘Met generators en synthesizers,’ zei Stockhausen. ‘Wat?! Dan hebben we geen orkest meer nodig,’ antwoordde de man, en Stockhausen zag hem het auditorium uit stormen, ‘alsof hij van binnen was gestorven, in zijn geest.’

Kortom, algoritmen om mee te schrijven, mogelijk interessant voor de meer avant-gardistische, conceptueel ingestelde schrijvers onder ons, die graag met vorm experimenteren – wie wordt de Stockhausen van de Nederlandse literatuur?

Blijft over het gebruik van big data en algoritmen om boeken te verkopen. Dat moeten we even in tweeën splitsen:

  1. Je kunt algoritmen gebruiken om aan de hand van data te bepalen welke lezers welke boeken interessant zouden kunnen vinden, net zoals online winkels van Amazon tot Zalando dat al doen. Ook kun je zo het aanbod in een abonnementendienst meer op de lezer afstemmen. Zolang deze ‘nieuwe’ verkooptechnieken niet ten koste gaan van de traditionele, kortom als de belangen van lezers en auteurs ermee gediend zijn, is er volgens mij niks mis mee.
  2.  Je kunt proberen algoritmen, of eigenlijk computerprogramma’s, tot redacteur te bombarderen en te laten voorspellen hoe een boek het zal doen. Als je dat helemaal uitbesteedt aan een computerprogramma krijg je misschien wel een rendabel fonds, maar ook een heel erg run-of-the-millfonds, en waarom zou je dat willen? Eigenlijk zie ik deze kwestie meer als een probleem van redacteuren en uitgeverijen, dan van schrijvers, in elk geval van de schrijvers die iets willen maken omdat ze die wil hebben, omdat ze kunst produceren – die doen nu immers ook geen aanpassingen aan hun tekst omdat die dan misschien beter zou verkopen. De vraag is dus niet zozeer: wil je zo’n algoritme gebruiken? maar: wat voor boeken wil je uitgeven? Kunst of kitsch?

Algoritmen zullen de kunst niet verpesten – daar is de kunstenaar zelf nog altijd de baas, en dat zal altijd zo blijven. De verkoop zullen ze mogelijk verbeteren. Toch fijn, want kunstenaars willen ook eten. Ik blijf deze ontwikkelingen met interesse volgen en ben maar snel lid geworden van de auteursbond, want als er meer verkocht wordt, wil ik straks wel een eerlijk deel van de poet.

Drie keer afstand

Op Camberwell Green besefte ik zeventien jaar geleden dat maar weinig mensen die in Londen wonen, er ook echt vandaan komen, en dat dat een belangrijke reden was waarom ik me er zo op mijn gemak voelde. Veel inwoners van Londen zijn ernaartoe verhuisd, vaak uit een ander land. En van degenen die er geboren zijn, heeft een groot deel ouders of grootouders die ernaartoe verhuisd zijn. Je kunt de statistieken erop naslaan, maar voor mij telde het straatbeeld: daar op Camberwell Green, bij de bushalte van lijn 36, zag ik dat niemand daar thuishoorde, en dat dus iedereen er thuishoorde, ook ik.

Eigenlijk kom ik nergens vandaan, niet helemaal in elk geval. Curaçao niet, Limburg niet, en Groningen: ik ben er wel geboren, maar is dat hetzelfde als er vandaan komen? (Pas nu ik dit opschrijf, realiseer ik me hoe anders dat voor mijn ouders is. Mijn moeders familie gaat generaties terug op Curaçao, die van mijn vader generaties in Limburg. Eeuwen, in beide gevallen. Zij komen wel ergens vandaan, al wonen ze er niet meer.)

Ik vond het prettig, de afstand tussen mij en plaatsen van herkomst, zowel mijn eigen plaatsen van herkomst, als die van de anderen. En ik voelde me thuis in dit level playing field, waar eigenlijk niemand een sterkere claim had op de omgeving dan een ander. Bovenal voelde ik me bevrijd, ik was op een plek waar niemand mij kende, waar ik een toekomst bij elkaar kon fantaseren zoals ik hem wilde, en indien nodig nog een verleden ook.

Zes weken geleden was ik er weer, en maakte de foto hierboven. Inmiddels heb ik mijn thuis gebouwd, maar de afstand werkte nog steeds bevrijdend. Zowel op mijn eerdere trip naar Sanje, als op deze naar Engeland, bezocht ik plekken waar ik vroeger gewoond heb. Dat had vooral praktische redenen, ik onderzocht locaties voor mijn nieuwe roman, Ochtend op Denmark Hill. Wat ik vooraf niet had bedacht, maar wat misschien wel meer heeft opgeleverd, is dat ik door deze trips loskwam van mijn eigen verhaal. De beelden die je hebt verzameld in een leven, van plaatsen, gebeurtenissen, personen, vind ik meestal handig bij het schrijven, maar ze kunnen ook in de weg staan. Soms willen ze je dwingen om je aan de feiten te houden, alsof ze je meezuigen in de vorm waarin ze zich ooit gemanifesteerd hebben. Nu was het alsof ik oude dozen opruimde. Weg met de schoolschriftjes, de brieven en kaartjes, de verzamelde zooi van een leven – alle ruimte voor de verbeelding.

Over een paar weken stuur ik het manuscript van Ochtend op Denmark Hill aan mijn redacteur. Dat wordt de eerste keer dat zij de hele tekst ziet, en ook de eerste keer dat ik hem helemaal zie, want ik moet nog een paar hoofdstukken afmaken. Daarna is nog alle tijd voor aanpassingen (ik weet er al een aantal…) maar ik moet nu wel haast maken om die eerste versie volledig te hebben.

En daarin kun je doorschieten – ik ben vast niet de enige. Opgeslokt door de tekst, en nu vooral door het handelingsverloop – wat wil ik nog vertellen – kun je ook die tekst zelf vergeten. Want uiteindelijk is dat natuurlijk wat je maakt: een tekst. Een verzameling woorden, zinnen, alinea’s, hoofdstukken. En toen ik laatst teruglas wat ik had geschreven terwijl ik zo werd meegesleept, zag ik wat ik vergeten was. Een zekere afstand tussen jezelf en de tekst is nodig, niet altijd, je moet je ook kunnen laten verassen, kunnen ontdekken, maar je moet met professionele distantie blijven kijken, en af en toe genadeloos op de deleteknop drukken. Om daarna de scène te schrijven zoals die wel moet zijn, in één roesvolle, trefzekere dag.

 

 

Migrant

Het is wellicht mijn eigen migrantenachtergrond waar door ik me de afgelopen week zo gestoord heb aan de manier waarop er over migratie is gesproken. De discussie concentreerde zich vooral op het asielrecht en de teneur was: niet belangrijk genoeg om er een probleem van te maken. Een discussie was het zelfs nauwelijks te noemen, eerder een communis opinio: we hebben wel wat belangrijkers aan ons hoofd. Zelfs GroenLinksstemmers schreven brieven aan Jesse Klaver met de strekking: ‘Wat je niet allemaal had kunnen doen voor het klimaat! Wat je niet had kunnen doen aan sociale ongelijkheid! En je geeft het allemaal op voor een paar vluchtelingen!’

Afgezien van de enorme naïviteit van die gedachtegang – alsof de VVD ineens de kolencentrales zou willen sluiten, de gaskraan in Groningen dichtdraaien en eens lekker zou gaan nivelleren als GroenLinks maar toegaf op migratie – stoort het me dat mensen relatieve luxeproblemen belangrijker vinden dan een kwestie van leven of dood. En ja, ik begrijp de consequenties van klimaatverandering. Ja, ik begrijp wat de gevolgen zijn van grote inkomens- en vermogensongelijkheid, zowel voor de minst bedeelde mensen zelf, als voor de samenleving als geheel. Maar aan beide zaken sterven op dit moment geen mensen bij bosjes tegelijk. Aan de belemmeringen van bewegingsvrijheid wel, of dat nu is omdat mensen niet weg kunnen komen van het geweld; of ze onderweg door misdadigers worden vermoord of hulpeloos aan hun lot overgelaten; of ze de dood vinden in illegale vervoermiddelen.

Niet alleen ben ik het kind van een migrant, ik heb ook meer dan tien jaar lesgegeven aan migranten in de taal-en schakeltrajecten van de Hogeschool van Amsterdam. Ruim duizend mensen die inmiddels onze ‘buitenlandse’ buren, collega’s, familieleden, vrienden en kennissen zijn, heb ik stuk voor stuk een jaar lang intensief Nederlands geleerd. En bij al deze mensen heb ik altijd het gevoel gehad dat ze hier mochten zijn, er net zo goed bij horen als jij en ik. Niet alleen de aardige, geïnteresseerde, beleefde en intelligente onder hen, maar ook de vervelende, bekrompen, onvriendelijke – die mensen maken tenslotte ook deel uit van een samenleving.

En dat is denk ik voor mij het cruciale, of zo je wilt gevoelige, punt: dat ik erbij hoor, dat wij erbij horen. De implicatie van de meeste standpunten over migratie, ook dat van GroenLinks, is dat er niet teveel migranten moeten komen. Alsof er iets verloren zou gaan in Nederland, alsof dit land slechter af zou zijn, als er ooit meer mensen zullen zijn met mijn voorouders, dan met louter opa’s en oma’s uit de Hollandse klei.

Natuurlijk, ik weet dat de meeste mensen het niet zo bedoelen, en ik weet ook dat met migratie zoals wij die hier tot nog toe kennen, heel wat problemen gepaard gaan – helaas wordt niet elke migrant zo uitgebreid wegwijs gemaakt in Nederland als mijn studenten.

Los van mijn eigen achtergrond, denk ik dat het tijd is om op een andere manier naar migratie te kijken. Soms denk ik dat we een soort foto-negatief van Geert Wilders nodig hebben: iemand die óók hardop zegt dat er veel mensen in beweging zijn en dat het er alleen maar méér worden, iemand die óók zegt dat daar allerhande problemen bij horen, maar iemand die heel andere, visionaire oplossingen voorstaat.

Mensen zijn als wind. Heb je een hogedrukgebied en een lagedrukgebied, dan stroomt de wind van het eerste naar het laatste. Heb je een arm en onveilig gebeid en een rijk en veilig gebied, dan stromen de mensen van het eerste naar het tweede. Dat zal, ondanks maatregelen als de Turkijedeal en het sluiten van de Balkanroute, eerder toenemen dan afnemen. De technologie staat niet stil, er zullen meer bootjes en andere vervoermiddelen bijkomen, er zullen meer en goedkopere mogelijkheden zijn om met het thuisfront te communiceren.

Angela Merkels ‘Wir schaffen das’ is een te simpele gedachte, je moet dan ook werkelijk iets ‘schaffen’ en niet achterover leunen en verwachten dat het vanzelf gaat.

Mark Ruttes versie, die van de Turkijedeal, is evenmin het antwoord. Dat is de kwestie negeren en proberen de stroom mensen terug te duwen, zoals we gaten in een lekkende oude badkuip proberen te stoppen. Maar als de kraan openblijft, stroomt het water hoe dan ook de vloer wel op.

De enigen die tot nu toe een werkende visie lijken te hebben op migratie, zijn mensenhandelaren. Dat moet toch beter kunnen.

 

Grauw Brooklyn

Ik werd niet meteen gegrepen door Bernard Malamuds The Assistant, wat vooral kwam omdat ik net daarvoor Pictures of Fidelman had gelezen. The Assistant is een lijvige roman over winkeliers die speelt in een grauwe, arme wijk van Brooklyn; Pictures of Fidelman is een bundel van zes verhalen over de mislukte schilder Fidelman in Italië.

Malamud bouwt The Assistant zorgvuldig op voordat hij alles laat instorten – en het boek eindigt niet eens helemaal zonder hoop, al kun je je afvragen of volharding grenzend aan masochisme echt hoopvol is. Maar toch, aan het eind had ik het idee dat de uitkomst van het drama de hoofdpersoon, Frankie Alpine, iets oplevert.

Die Frankie is een Italiaanse slapjanus die met de verkeerde vrienden rondhangt en geen ‘discipline’ heeft. Hij overvalt Morris Bober, Joodse winkelier met een armetierige zaak en gaat daarna, uit een soort onduidelijk schuldgevoel, gratis voor hem werken. Ondertussen steelt hij geld uit de kas, maar zit daar ook mee – Frankie is iemand die een geweten achter zich aan sleept, schrijft Malamud. Malamud laat dit onnadrukkelijk zien, hij noemt het, laat zien wat Frankie doet en denkt en dat is het, geen geproblematiseer, dat mag de lezer zelf doen.

Frankie wordt verliefd op Helen, de dochter van de winkelier en degene die hem vertelt dat ‘discipline’ goed is, een idee dat hem bevalt. De liefde is wederzijds. Dan komen twee verhaallijnen bij elkaar, of eigenlijk drie: Morris stuurt Frankie weg als hij hem ziet stelen; Frankies foute vriend Ward (zijn mede-overvaller) randt Helen aan als ze in het park op Frankie wacht; Frankie, dronken, slaat Ward van Helen af en verkracht haar – die term komt in het boek niet voor, maar hij dwingt haar seks met hem te hebben en dan is alles natuurlijk voorbij.

Alleen wordt Morris ziek en kan Frankie toch blijven. Eigenlijk maakt hij zichzelf tot deel van het interieur, doet wat moet, wat goed is, wat onontkoombaar is, wat in elk geval het enige is dat geen weglopen is. En hij wordt jood, nadat Moris gestorven is.

Gedurende het hele verhaal wordt erop gewezen dat hij niet in de ‘grocery business‘ moet gaan, en wordt duidelijk hoe klote het is, in elk geval in de financiële zin, om een arme Jood in Brooklyn te zijn. Toch lijkt Malamud te zeggen dat Frankie uiteindelijk – iets – beter af is als arme joodse winkelier, dan als slapjanus zonder discipline.

Voor wie The Assistant nog wil lezen en bang is dat ik nu teveel heb verteld over dit boek: niet nodig. The Assistant is veel meer dan het plot. Malamud is een meester in wat ik maar sfeer noem, maar het is meer dan dat, het is een verhaal een gevoel van plaats geven, een eigen kleur, een sensibiliteit die voorbij de handeling gaat. En uiteindelijk bekoorde het grauwe realisme van armeluis Brooklyn me net zozeer als het exotisme van de Italiaanse setting van Pictures of Fidelman.

 

Uitstapje

Ineens had ik een boek van John le Carré gekocht, The Russia House. Of nou, niet helemaal ineens, maar ik zat zonder boeken in mijn hotelkamer in Londen. Ik had niks te lezen meegenomen, om mijn eigen boek niet in de weg te zitten, ik was tenslotte in Engeland om zaken uit te zoeken voor Ochtend op Denmark Hill. Maar na al dat gesjouw – ik heb zo’n 80 kilometer te voet afgelegd in die dagen in Engeland – wilde ik ’s avonds toch wel een beetje relaxen. De televisie werkte niet, dat wil zeggen, hij deed het wel, maar alleen op één kanaal dat om onduidelijke redenen continu herhalingen van Top Gear uitzond – kortom, ik moest een boek.

Het werden er twee, ze geven ze zo’n beetje weg: ‘O yeah, they’re fiction books, they’re half price‘. Tsja, ik heb me er inmiddels maar bij neergelegd dat ik me bezighoud met een nauwelijks gewaardeerde kunstvorm.

Maar The Russia House dus. Ik moet zeggen dat ik prettig verrast was. Ik heb ook weleens iets van Dan Brown gelezen bijvoorbeeld, maar je moet wel echt héél graag willen weten wat er verder gebeurt om je voor je plezier door dat kantoorproza heen te sleuren.

Le Carré besteedt wel aandacht aan zijn formuleringen, en ook aan de vorm van zijn roman. The Russia House gaat over een wat verlopen Engelse uitgever, die betrokken raakt bij een spionagezaak en verliefd wordt op een Russische tussenpersoon. Uiteindelijk kiest hij de liefde voor deze dame boven de trouw aan zijn vaderland, en dat ik dit zo kan opschrijven zonder dat ik daarmee teveel weggeef, is een pluspunt van dit boek. De verteller – in het grootste deel van de tekst – is een advocaat die voor de Britse geheime dienst werkt en die de hoofdpersoon van een afstand gadeslaat. Zo’n constructie wekt bij mij meer interesse op dan een alwetend of personaal perspectief. Ik zou mezelf echter niet zijn, als ik niet ook meer had gewild van dat vertellend personage. Nu wordt zijn geesteswereld wel enigszins geduid, maar zijn twijfels over het werk dat hij doet, zijn opvatting over de hoofdpersoon, de gemiste mogelijkheden in zijn leven: ze hadden wat meer ruimte mogen krijgen en meer mogen schuren.

Ik schreef in de eerste zin van de alinea hierboven: ‘…en ook aan de vorm van zij roman,’ en vroeg me zojuist af of ik niet ‘thriller’ of ‘spionageroman’ of zo had moeten schrijven. Maar dat is natuurlijk onzin, en dat is ook verfrissend aan de Angelsaksiche blik op literatuur: goede fictie is goede fictie, en daarvan krijg je er twee voor de prijs van één.