Leven en kunst

Met dank aan het Nederlands Letterenfonds ben ik op studiereis in Baskenland, en met dank aan mijn eigen planning was ik niet in Londen tijdens de aanslag gisteren. Dat klinkt als twee heel verschillende zaken in één zin, maar dat is het niet: komende maand ga ik naar Engeland, voor het tweede deel van mijn studiereis. De roman waarvoor ik onderzoek doe, begint in Londen, op de dag dat er een (vermeende) aanslag is geweest. Als ik mijn trip andersom had gepland, zou ik in Londen gearriveerd zijn in dezelfde hectiek als de hoofdpersoon in mijn roman. Ik heb geen zin om nu na te denken over deze vermenging van leven en kunst, omdat het te groot is en te direct, maar straks zal het wel moeten, als ik terug ben.

Ook mijn huidige bezoek aan Bilbao drukt me met mijn neus op die vermenging. Het is ronduit bevreemdend om rond te lopen in deze stad waar ik al meer dan twintig jaar niet ben geweest, maar die in mijn verbeelding is blijven bestaan, en zelfs in vrij veel detail is gereconstrueerd nu ik met Ochtend op Denmark Hill bezig ben, dat ook deels in Bilbao speelt. Het is alsof de echte stad niet de echte is – de huidige bedoel ik, die in 2017, waar ik nu in rondloop.

Die bevreemding werkt op verschillende niveaus. Eerst herkende ik de stad niet toen ik hem gisteren binnenreed. Nu kwam ik van het vliegveld en heb ik een hotel in Casco Viejo, aan de andere kant van de stad dan waar ik woonde, maar toch, als je me had gezegd dat ik in een heel andere Spaanse of Zuid-Franse stad was geweest, had ik je geloofd. Vooral de bergen vielen me op. Ik daalde af naar de stad, met de auto, en toen ik hier woonde wist ik ook best dat de stad in een vallei ligt, en zag ik ook de bergen aan het eind van elke doorkijk in de lange straten, maar ik kwam bijna nooit de vallei uit, ik leefde aan de oever van de rivier.

Gister ging ik ook te voet de vallei uit, twee keer zelfs, al was het maar tot halve hoogte. In Casco Viejo besteeg ik de trappen van Mallona, op zoek naar een straat die ik in Ochtend op Denmark Hill bovenaan die trappen heb gesitueerd. Maar blijkbaar ben ik vroeger nooit die trap tot het einde op gelopen, of herinner ik me niet wat daarboven was. In elk geval niet de straat uit mijn gedachten, maar een mooi aangelegd park en een aantal flatgebouwen die ook aan een costa hadden kunnen liggen, met daaronder autowerkplaatsen, bakkerijtjes en zowaar een ontwerpstudio.

Het meest bevreemdend, onthutsend zelfs, was mijn bezoek aan Deusto, de wijk waar ik heb gewoond. Ik herkende allerlei plekken: het hoge gebouw bij de rotonde; de universiteit; de supermarkt op Blas de Otero; de tabakswinkel op de hoek. Maar de meest vertrouwde plekken, waar ik veel tijd heb doorgebracht, strookten niet met mijn herinnering. Ze zagen er domweg anders uit. Het pleintje tussen Ramón y Cajal en Lehendakari Aguirre, had dat altijd zoveel lage muurtjes en allemaal speeltoestellen? Het is halfrond, maar in mijn herinnering is het vierkant, met alleen zo’n muurtje aan één lange zijde.

En ik kon mijn huis niet vinden. Ik wist nog welk blok, een van die lage flatgebouwen was het, maar welk? Bij elk portiek keek ik naar binnen, overal hetzelfde amberkleurige marmer, geen kwam me bekend voor, tot het punt dat ik tegenover die gebouwen stond en me afvroeg of ik hier wel gewoond had, of het echt geweest was. En zo zat ik met een stad die ineens niet meer bestond, in elk geval niet klopte, mijn herinnering niet, de werkelijkheid van 2017 niet, zelfs de feiten die beide zouden moeten verenigen, uitgevaagd.

Wel hetzelfde waren de blowende mensen. In mijn oude straat waren een paar bars open en van de vijftien mensen die buiten stonden, rookten er twaalf een joint. Deusto heeft altijd iets kansloos en opstandigs gehad, een combinatie die ik wel mag, net zoals de kapsels waar willekeurige stukken uit weggeschoren zijn, de piercings en de veel te grote wollen truien. Tegenstellingen zijn er ook, nog steeds, minder ETA en politie tegenwoordig, maar wel de universiteit in deze wijk die veel Spaanse koude kak trekt, en tussen de lelijke flats en de werkloosheid, ligt ook een besloten villawijkje. Of eigenlijk ligt het boven op een heuvel. Toen ik ernaartoe liep, mijn tweede klim uit de vallei, ontdekte ik alsnog mijn oude flat. We keken uit op die heuvel vanaf ons balkon, en er staat maar één gebouw met balkons.

Nu had ik dus mijn huis terug. Maar wat brengt me dat? Wat moet ik met dit Deusto van 2017, met de opgedoekte spoorbaan en de verroeste rails? Met de plekken op het pleisterwerk van de flatgebouwen waar de muren met cement zijn gerepareerd? Met de andere vorm van een plein? Wat willen deze details van me?

Ik ben blij dat ik vandaag naar Vitoria ga, een stad waar ik nooit ben geweest, op zoek naar een man die niet heeft bestaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s