Geologie van een boek

Een duimsprong is een manier om afstand te schatten. Je houdt je arm gestrekt voor je met je duim omhoog en kijkt beurtelings met je linker- en rechteroog naar die duim, het andere oog gesloten. De afstand die het gepeilde punt achter je duim verspringt, zegt iets over de afstand tot dat punt. Een erg nauwkeurige methode is het niet: aan het begin van Miek Zwamborns roman De duimsprong, schat Jens tijdens een tocht in de Alpen de afstand verkeerd in, iets wat je op zo’n plek fataal kan worden.

Niet veel later is hij verdwenen. De verteller – volgens de achterflap een jonge vrouw, maar ze blijft naamloos en nergens in de tekst wordt haar geslacht expliciet genoemd – volgt zijn voetsporen: ‘Hoe zoek je iemand van wie je niet weet welke kant hij is opgegaan? Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen.’ Al snel vermengt deze bedevaart zich met een reis door Europa op zoek naar informatie over de negentiende-eeuwse geoloog Albert Heim.

De verteller ziet Heim als een surrogaat-Jens en als ze uiteindelijk aan Heims graf staat, is dat ook het staan aan dat andere, niet bestaande graf. Niet dat Zwamborn daar zo uitgesproken over is, ze schrijft alleen ergens dat Heim achterna reizen een leegte in de verteller opvult en laat het verder aan de lezer om deze link te leggen.

Net als bij die duimsprong uit de titel, verspringt het verhaal, van Jens naar Heim en terug, en zo varieert Zwamborn met de afstand die in elke roman aanwezig is, op zijn minst tussen auteur en lezer, maar ook tussen auteur en verteller, verteller en andere personages, personages onderling enzovoort. Voor mij is dat waar De duimsprong om draait, die verschillende afstanden, die de roman lagen geven alsof je door verschillende aardlagen graaft. De verteller brengt een laag tussen zichzelf en haar verdwenen vriend aan, door het verhaal van Heim te vertellen als een soort ‘story by proxy‘, een plaatsvervangende zoektocht, en Zwamborn vergroot de afstand tussen haar lezer en haar verteller door die verteller via zulke omwegen te laten spreken.

De duimsprong is geen klassieke roman, eigenlijk is het zelfs nauwelijks een verhaal. Het is een eigenzinnig boek. Compromisloos, tegelijkertijd ijl, nauwelijks uitgesproken, bedeesd, voorzichtig geformuleerd, haast bang om er te zijn. Zwamborn doet niet aan uitleg, wat eraan bijdraagt dat je het boek als een totaalervaring over je heen laat komen. Geen achtergrond over de verteller. Wat doet ze? Is ze wetenschapper? Ze heeft (of had) een zus en ouders, maar ze interacteert nauwelijks met anderen, alleen een paar museummedewerkers. De duimsprong is fragmentarisch, beslaat een jaar of twee en vertelt eigenlijk alleen de geschiedenis van Heim compleet.

Ik heb eerder geschreven over de relatie literatuur en werkelijkheid, bijvoorbeeld over Connie Palmens Jij zegt het en de vraag in hoeverre je beleving van zo’n boek wordt bepaald doordat je de personages al kent uit de niet-fictieve wereld. Bij dit boek was dat anders, ik was haast verbaasd te ontdekken dat Heim echt bestaan heeft, zozeer is hij in de roman geweven en zo groot is toch ook hier weer, de afstand, waardoor de teksten over Heim eigenlijk helemaal niet zo over Heim gaan. Voor mij gaat de hele tekst trouwens ook niet zo over Jens, of zelfs over de verteller, maar creëren al die narratieven samen een wereld vol afstand en vervreemding. Dat is waar Zwamborn mij mee naartoe neemt, wat haar reliëf  in woorden oplevert: een kunstwerk dat zijn eigen parameters stelt, een werk dat er gewoon is, net als de Alpen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s