Vuisten en ijzerdraad

Allerzielen is een ongewoon boek. Er waren momenten dat de gesprekken – en daar zijn er aardig wat van – me stoorden, dat ik de roman op een soort ‘teacup drama‘ vond lijken, en er waren momenten dat ik dacht dat dit het beste, meest veelzeggende boek was dat ik ooit heb gelezen.

Bij het lezen moest ik regelmatig denken aan Nootebooms eerste roman, Philip en de anderen, en dan met name aan het Chinese meisje dat door de verteller achterna gereisd wordt. Alsof in Allerzielen een oudere en wereldwijzere Philip (Arthur Daane) andermaal een vrouw achterna reist. Niet eens alsof trouwens, Arthur doet het echt. En uiteindelijk glipt de zwijgende sirene Elik Oranje ook door zijn vingers, en net als in Philip en de anderen, zit daar ook in deze roman een zekere berusting in, zij het in een allengs killere, geschiftere wereld.

Als je me nu vraagt naar de identiteit van deze roman, dan zou ik zeggen dat de tekst heel geestelijk is, erg mijmerend, vertellend en dat je toch alles voor je ziet: je ziet de dingen gebeuren. De wandeling van Arthur door de sneeuw in Berlijn, waar de roman mee opent. Zijn afspraken met zijn vrienden in de Weinstube. De ontmoeting met Elik  – daarover zo meer. Zijn dagtrip met Elik. De nachtelijke avonturen in haar huis in Berlijn. Het bezoek aan haar grootmoeder in Nederland. Het weerzien in Spanje.

Allemaal concreet, allemaal in een tekst die niet zozeer gaat over de gebeurtenissen, maar meer over hoe we onszelf bepalen ten opzichte van die gebeurtenissen, hoe we een houding kiezen, of niet anders kunnen dan een bepaalde houding aannemen in ons bestaan. Wat is het trouwens voor Arthur, de dolende cameraman? Kiezen of niet kunnen? Zijn vlucht voor het verleden (zijn vrouw en kind zijn omgekomen bij een ongeluk) en zijn poging het verdwijnen te filmen en zelf een schim te willen zijn, lijken een keuze. Zijn bezetenheid van Elik daarentegen, een noodlot. Of is dat slechts een gewild noodlot? Aan het eind van de roman lijkt hij toch te kiezen.

Acht pagina’s trekt Nooteboom uit voor de eerste ontmoeting tussen Arthur en Elik, vanaf het moment dat Arthur haar voor het eerst ziet in een café tot aan het moment dat hij ziet dat zij het café verlaten heeft. Het enige wat er gebeurt, is dat ze dezelfde krant willen pakken, dat hij iets sneller is, de krant leest, naar de wc gaat, en ziet dat zij weg is.

Maar natuurlijk gebeurt er veel meer. De spanning spat van deze ontmoeting af, omdat zij hem woedend aankijkt, niet omdat hij iets onaardigs deed, maar omdat hij haar voor was: ‘Hij was eerder en zij was woedend, dat kon je wel zien. Fonkelogen. Berberkop. Dat hij dat gedacht had wist hij later alleen nog maar omdat die gedachte zo geheimzinnig juist was geweest. Hij hield de krant naar haar op, maar ze schudde van nee. Het ging dus niet om de krant, maar om het moment van te laat zijn, het verliezen.’

Zo, die staat. En dan denkt Arthur na over haar gezicht, haar litteken, probeert het te vergeten, zich op zijn krant te concentreren, heeft het over het nieuws, denkt aan een vriend, loopt naar de wc en werpt van een afstand een blik op Elik: ‘… haar vuisten gebald in het korte zwarte haar dat als ijzerdraad rechtop stond.’

Je leest gedachten en reflecties in deze scène, kijkt acht pagina’s lang in Arthurs geest, maar dat alles is sluw verweven met vuisten en ijzerdraad. Hoe postmodern je ook schrijft, hoe geestelijk je tekst ook is, een roman is uiteindelijk een verhaal, en een verhaal schuurt, is ongemakkelijk, is een conflict. Nooteboom weet dat heel goed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s